Verhalen uit de Schriften
Brieven aan Timotheüs: Paulus geeft zijn jonge vriend raad


1 en 2 Timotheüs

Brieven aan Timotheüs

Paulus geeft zijn jonge vriend raad

Timotheüs wordt door zijn moeder en grootmoeder onderwezen.

Timotheüs was een jonge man met een sterk geloof in Jezus Christus. Zijn moeder, Eunike, en zijn grootmoeder, Loïs, waren ook vrouwen met groot geloof. Ze onderwezen Timotheüs uit de Schriften toen hij nog een kind was.

2 Timotheüs 1:5; 3:15

Paulus en Timotheüs wandelen samen. Paulus houdt een doek omhoog om ze tegen de regen te beschermen.

Timotheüs en Paulus waren goede vrienden. Ze hadden samen gewerkt en gereisd om in hun dienst voor de Heer zijn evangelie te verkondigen. Paulus hield van Timotheüs als van een zoon.

Filippenzen 2:19–22; 1 Timotheüs 1:2

Paulus geeft Timotheüs de opdracht naar Efeze te gaan om de kerk daar te leiden.

Paulus vroeg Timotheüs om de kerk in Efeze te leiden. Paulus ging naar een andere stad. Terwijl hij weg was, schreef hij Timotheüs een brief om hem te helpen.

1 Timotheüs 1:1–3

Timotheüs ziet mensen het evangelie verwerpen.

Toen Paulus later in Rome in de gevangenis zat, schreef hij Timotheüs nog een brief. Hij waarschuwde Timotheüs dat er moeilijke tijden zouden komen. Sommige mensen zouden zich van de waarheid afkeren en wereldse dingen meer liefhebben dan God. Ze zouden dingen verkondigen die niet waar zijn.

2 Timotheüs 3:1–7; 4:3–4

Timotheüs onderwijst een groep heiligen in het evangelie.

Paulus zei dat Timotheüs niet bang hoefde te zijn. Hij zei: ‘God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde.’ Paulus zei tegen Timotheüs dat hij moest blijven doen wat hij had geleerd. De Schriften zouden hem naar Jezus Christus leiden.

2 Timotheüs 1:7–9; 3:14–17

Paulus in de gevangenis in Rome.

Paulus wist dat hij niet lang meer zou leven. Maar hij was niet bang om te sterven. Paulus zei tegen Timotheüs dat hij zijn geloof sterk had gehouden, ook al had hij veel moeilijkheden doorstaan. Hij vertrouwde erop dat onze hemelse Vader en Jezus Christus hem het eeuwige leven zouden geven.

2 Timotheüs 4:6–8