Handelingen 1–4
Jezus’ apostelen leiden zijn kerk
Onderwijzen, dopen, genezen en alles delen
Toen Jezus naar zijn Vader in de hemel was teruggegaan, waren de apostelen de leiders van de kerk. Ze verkondigden het evangelie van de Heiland, nodigden mensen uit om lid van zijn kerk te worden en verrichtten veel wonderen met Gods macht. Jezus beloofde hen te helpen door de Heilige Geest te sturen.
Handelingen 1:8–13, 2:41–47
Omdat Judas was gestorven, waren er nog maar elf apostelen. De apostelen baden tot God om te weten wie Judas zou vervangen en een bijzondere getuige van Jezus Christus zou zijn. God koos een man die Matthias heette. Hij werd een van de twaalf apostelen.
Handelingen 1:15–26
Tijdens een speciale Joodse feestdag waren de discipelen samen in Jeruzalem. Plotseling leek het alsof er een windvlaag uit de hemel in het huis kwam. Ze zagen dat er licht als vuur op hen rustte en ze waren allemaal vervuld met de Heilige Geest. Door de Heilige Geest konden ze in andere talen spreken.
Handelingen 2:1–4
Toen de mensen in Jeruzalem dit hoorden, kwamen ze allemaal bij elkaar. Hoewel de mensen in de menigte uit veel verschillende landen kwamen en verschillende talen spraken, hoorden ze allemaal in hun eigen taal wat de apostelen zeiden. De mensen stonden versteld!
Handelingen 2:5–13
Petrus stond op en sprak de menigte toe. Hij vertelde ze over Jezus Christus. Hij getuigde dat Jezus de Heiland is en dat Hij is opgestaan.
Handelingen 2:14–36
Toen de mensen dat hoorden, voelden ze dat ze moesten veranderen. Ze vroegen de apostelen wat ze moesten doen.
Handelingen 2:37
Petrus zei: ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.’ Ongeveer drieduizend mensen lieten zich die dag dopen en werden lid van de kerk.
Handelingen 2:38–43
Later gingen Petrus en Johannes naar de tempel. Ze zagen een man die niet kon lopen. Hij zat daar elke dag en vroeg mensen om geld.
Handelingen 3:1–2
De man vroeg Petrus en Johannes om geld. Ze bleven staan en keken naar hem. Petrus zei: ‘Kijk ons aan!’
Handelingen 3:3–4
Petrus zei dat ze geen zilver of goud hadden. Maar ze hadden iets beters. Hij zei: ‘In de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!’ Petrus hielp hem op te staan. Voor het eerst in zijn leven kon de man lopen! Hij was zo blij dat hij lopend en springend met Petrus en Johannes de tempel binnenging.
Handelingen 3:6–8
Het volk stond versteld. Petrus zei dat de man niet door zijn of Johannes’ macht was genezen. Hij was door de macht van Jezus Christus en door geloof in Hem genezen. Petrus zei dat ze zich moesten bekeren en in Jezus moesten geloven.
Handelingen 3:9–26
Sommige Joodse leiders waren niet blij met wat Petrus en Johannes vertelden. Ze zeiden dat niemand over Jezus mocht onderwijzen.
Handelingen 4:1–18
Petrus en Johannes zeiden dat ze God gehoorzaamden en dat God wilde dat ze de mensen over Jezus Christus vertelden.
Handelingen 4:19–20
De apostelen bleven het evangelie van de Heiland met grote kracht verkondigen. Steeds meer mensen sloten zich bij zijn kerk aan. Zij werden met de Geest vervuld. Ze hielden van elkaar en deelden alles. Ze verkochten wat ze hadden en gaven het geld aan de apostelen, zodat zij het aan de arme mensen kon gegeven.
Handelingen 4:31–37