Verhalen uit de Schriften
Jezus rijdt Jeruzalem binnen: de mensen verwelkomen hun Heiland


Mattheüs 21:1–16

Jezus rijdt Jeruzalem binnen

De mensen verwelkomen hun Heiland

Mensen wachten buiten Jeruzalem om Jezus te ontmoeten.

Het was bijna tijd voor het Pascha, een belangrijk feest voor de Joden. Veel mensen gingen voor het Pascha naar Jeruzalem. Jezus en zijn discipelen gingen er ook heen. Toen de mensen hoorden dat Jezus zou komen, gingen ze Hem opwachten.

Mattheüs 21:1; Johannes 12:12–13

Jezus en zijn discipelen naderen Jeruzalem.

Toen Jezus en zijn discipelen in de buurt van Jeruzalem kwamen, vroeg Hij of ze Hem een ezel wilden brengen. Vele jaren eerder had een profeet gezegd dat de Heiland nederig, rijdend op een jonge ezel, zou komen.

Mattheüs 21:1–7; zie ook Zacharia 9:9

Jezus gaat Jeruzalem binnen.

Jezus reed op de ezel de stad in. De mensen waren blij Hem te zien. Ze verwelkomden Hem als een koning. Ze legden palmtakken en kleren op de grond zodat de ezel daarover kon lopen. Ze dankten God en riepen: ‘Hosanna! Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere.’

Mattheüs 21:8–9; Lukas 19:36–38; Johannes 12:13

Mensen kijken naar Jezus.

Veel mensen in Jeruzalem vroegen zich af wat er aan de hand was. ‘Wie is dat?’ vroegen ze. Andere mensen antwoordden dat het Jezus van Nazareth was.

Mattheüs 21:10–11

Jezus ziet mensen geld uitgeven in de tempel.

Daarna ging Jezus naar de tempel. Sommige mensen verkochten dieren voor geld om in de tempel te offeren. Jezus wist dat ze oneerlijk waren.

Mattheüs 21:12

Jezus zegt tegen de mensen die spullen verkopen dat ze de tempel moeten verlaten.

Jezus vond het niet goed dat ze geld verdienden aan mensen die naar de tempel wilden gaan. Hij zei dat ze de tempel moesten verlaten en Hij gooide hun tafels omver. Hij zei: ‘Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden, maar u hebt er een rovershol van gemaakt.’

Mattheüs 21:12–13; zie ook Jesaja 56:7; Jeremia 7:11

Jezus geneest mensen in de tempel.

Mensen die blind waren of niet konden lopen, kwamen in de tempel naar Jezus toe, en Hij genas hen. Kinderen riepen ‘Hosanna’, zij eerden Jezus en zeiden dat Hij de Heiland was.

Mattheüs 21:14–15

Jezus praat met de priesters en Schriftgeleerden.

Sommige priesters en Schriftgeleerden waren boos toen ze zagen wat Jezus deed en hoorden wat de kinderen zeiden. Jezus herinnerde ze aan een Schrifttekst waarin staat dat God volmaakte lof uit de mond van kinderen laat komen.

Mattheüs 21:15–16; zie ook Psalmen 8:3