Verhalen uit de Schriften
Jezus getuigt van zijn zending: verworpen in Nazareth


Lukas 4:16–31

Jezus getuigt van zijn zending

Verworpen in Nazareth

Jezus gaat naar de synagoge.

Jezus ging naar Nazareth, waar zijn familie en vrienden woonden. Het was de plek waar Hij was opgegroeid. Op de sabbatdag ging Hij naar de synagoge, waar de mensen naartoe gingen om de Schriften te bestuderen en God te aanbidden.

Lukas 4:16–17

Jezus leest een Schrifttekst voor in de synagoge.

Jezus stond op in de synagoge en las een Schrifttekst van de profeet Jesaja voor. In de Schriften stond dat er op een dag een Heiland zou komen. Hij zou het evangelie aan de armen verkondigen en gebroken harten genezen. Hij zou blinden en gewonden helpen.

Jesaja 61:1–2; Lukas 4:17–19

Jezus zegt dat Hij de Heiland is.

Jezus was klaar met lezen en ging zitten. Iedereen keek naar Hem. Hij zei dat de Schrifttekst die Hij had voorgelezen diezelfde dag in vervulling was gegaan. Hij was de Heiland.

Lukas 4:21

Mensen vragen zich af hoe Jezus de Heiland kan zijn.

De inwoners van Nazareth waren erg verbaasd over wat Jezus zei. Hoe kon Jezus de Heiland zijn? Ze dachten dat Hij gewoon de zoon van Maria en Jozef was, en niet de Zoon van God. In hun ogen leek Hij een normaal persoon.

Lukas 4:22

Jezus spreekt over wonderen.

Jezus wist dat de mensen wilden dat Hij een wonder zou doen om te bewijzen dat Hij de Heiland was. Hij zei dat wonderen voor gelovige mensen waren, en dat God soms wonderen deed voor mensen die niet van Israël waren, omdat ze meer geloof hadden. Sommige mensen in de synagoge waren boos op Jezus.

Lukas 4:23–28

Mensen drijven Jezus naar de top van een berg.

Ze dreven Hem de stad uit naar de top van een berg. Ze wilden Hem van de berg gooien.

Lukas 4:28–29

Jezus loopt weg.

Maar Jezus liep weg van de boze mensen.

Lukas 4:30

Jezus onderwijst in een andere stad.

Omdat ze Hem in Nazareth niet wilden hebben, ging Jezus naar een andere stad om te onderwijzen.

Lukas 4:31–32