Mattheüs 16–17
Jezus geeft zijn apostelen priesterschapssleutels
‘Op deze [rots] zal Ik Mijn gemeente bouwen’
Op een dag vroeg Jezus aan zijn discipelen wie de mensen dachten dat Hij was. Zijn discipelen antwoordden dat sommige mensen zeiden dat Hij Johannes de Doper was. Anderen dachten dat Hij een teruggekeerde profeet uit het Oude Testament was.
Mattheüs 16:13–14
Toen vroeg Jezus zijn discipelen wie zij dachten dat Hij was. Petrus zei: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God.’
Mattheüs 16:15–16
Jezus was blij dat Petrus dit zei. Hij zei tegen Petrus dat hij niet van andere mensen had geleerd wie Jezus was. Onze hemelse Vader had het hem laten weten.
Mattheüs 16:17
Jezus zei tegen Petrus: ‘Op deze [rots] zal ik Mijn gemeente bouwen.’ Toen beloofde Hij priesterschapssleutels, of gezag van God, aan Petrus te geven, zodat hij en de andere apostelen zijn kerk op aarde konden leiden.
Mattheüs 16:18–19
Een paar dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee naar een hoge berg om daar te bidden.
Mattheüs 17:1; Lukas 9:28
Terwijl Jezus bad, straalde zijn gezicht als de zon. Zelfs zijn kleding straalde.
Mattheüs 17:2; Lukas 9:29
Twee profeten uit het Oude Testament, Mozes en Elia, verschenen. Ze spraken met Jezus over zijn dood en opstanding, die al snel in Jeruzalem zouden gebeuren. Petrus zei tegen Jezus: ‘Heere, het is goed dat wij hier zijn.’
Mattheüs 17:3–4; Lukas 9:30–33
Terwijl Petrus sprak, kwam er een lichtende wolk om hen heen. Ze hoorden Gods stem zeggen: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!’ Petrus, Jakobus en Johannes waren bang en vielen op de grond.
Mattheüs 17:5–6
Jezus raakte zijn apostelen aan en zei: ‘Sta op en wees niet bevreesd.’ Ze keken op. Mozes en Elia waren weg. Op deze berg ontvingen Petrus, Jakobus en Johannes de priesterschapssleutels die Jezus ze had beloofd.
Mattheüs 17:7–9; zie ook Leer en Verbonden 27:12–13