Lukas 10:25–37
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan
Je naaste liefhebben als jezelf
Een wetgeleerde vroeg Jezus hoe hij het eeuwige leven kon krijgen. Jezus vroeg hem wat er in de Schriften stond. De wetgeleerde antwoordde dat er in de Schriften staat dat we God en onze naaste moeten liefhebben. Jezus zei dat hij gelijk had. Toen vroeg de wetgeleerde: ‘Wie is mijn naaste?’ Jezus antwoordde door een gelijkenis of verhaal te vertellen.
Lukas 10:25–29
In het verhaal liep een Joodse man op de weg van Jeruzalem naar Jericho. Plotseling kwamen er dieven. Ze stalen zijn kleren, deden hem veel pijn en lieten hem daar achter.
Lukas 10:30
Al gauw liep er een priester langs. Een priester was iemand die in de tempel werkte. Hij zag de man langs de weg, maar liep hem aan de andere kant voorbij.
Lukas 10:31
Daarna kwam er een andere man langs, een Leviet, die ook in de tempel werkte. Hij zag de gewonde man, maar liep hem ook aan de andere kant van de weg voorbij.
Lukas 10:32
Toen kwam er een Samaritaan voorbij. Hij zag dat de man langs de weg ernstig gewond was. Samaritanen en Joden waren meestal niet vriendelijk voor elkaar. Maar deze Samaritaan wilde de man toch helpen.
Lukas 10:33
De Samaritaan zorgde voor de man door olie en wijn op de wonden van de man te smeren. Hij zette hem op zijn ezel.
Lukas 10:34
Toen bracht de Samaritaan de man naar een herberg, waar hij kon uitrusten en genezen. Voordat de Samaritaan de volgende dag vertrok, gaf hij de eigenaar geld en zei: ‘Zorg voor hem.’ De Samaritaan zei dat hij over een paar dagen terug zou komen met meer geld.
Lukas 10:34–35
Aan het eind van het verhaal stelde Jezus de wetgeleerde een vraag. Wie was de naaste van de gewonde man? De priester, de Leviet of de Samaritaan? De wetgeleerde zei dat het degene was die de man liefde had getoond, de Samaritaan. Jezus zei tegen de wetgeleerde dat hij het voorbeeld van de Samaritaan moest volgen.
Lukas 10:36–37