Markus 10:17–31
Jezus en de rijke jongeman
‘Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’
Terwijl Jezus en zijn discipelen onderweg waren, kwam er een rijke jongeman naar Hem toe rennen en knielde voor Hem neer. Hij vroeg Jezus wat hij moest doen om weer bij onze hemelse Vader te kunnen wonen.
Markus 10:17
De Heiland herinnerde de jongeman eraan dat hij Gods geboden al kende: niet doden, niet liegen of stelen, en je vader en moeder eren.
Markus 10:19
De jongeman antwoordde dat hij die geboden van jongs af aan altijd had onderhouden.
Markus 10:20
Jezus keek liefdevol naar de jongeman. Hij zei dat hij nog één ding moest doen. Hij moest alles verkopen wat hij had, het geld aan de armen geven en een volgeling van Jezus worden. Dan zou hij een schat in de hemel hebben!
Markus 10:21
De jongeman was erg rijk. Hij wilde niet alles weggeven wat hij had. Hij ging verdrietig weg.
Markus 10:22
Jezus zei dat het makkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor mensen die van rijkdom houden om het koninkrijk van God binnen te gaan. De discipelen waren verbaasd. ‘Wie kan dan gered worden?’ vroegen ze. Jezus legde uit dat we op God moeten vertrouwen om gered te worden. ‘Bij God zijn alle dingen mogelijk’, zei Hij.
Markus 10:23–30