Handelingen 9:1–31
Jezus verschijnt aan Saulus
Een uitnodiging om zich te bekeren en de Heer te volgen
Saulus was een Farizeeër – een Joodse leider die de Schriften goed kende. Maar Saulus geloofde niet dat Jezus de Heiland was. Hij nam veel volgelingen van Jezus gevangen. Op een dag reisde Saulus naar de stad Damascus om enkele volgelingen van Jezus te arresteren en naar Jeruzalem te brengen om gestraft te worden.
Handelingen 9:1–2; 22:4–5; 26:5
Toen Saulus onderweg was, scheen er plotseling een licht op hem neer. Het was feller dan de zon. Saulus viel op de grond. Hij hoorde een stem die zei: ‘Saul, Saul.’ Toen vroeg de stem aan Saulus waarom hij Jezus bestreed en zijn discipelen kwaad deed.
Handelingen 9:3–4; 26:13–14
Saulus vroeg wie er tot hem sprak. De stem zei: ‘Ik ben Jezus.’ Saulus was bang en verrast. Hij vroeg Jezus wat hij moest doen. Jezus zei tegen Saulus: ‘Sta op en ga de stad in.’ Daar zou hij horen wat hij verder moest doen.
Handelingen 9:5–6
Saulus gehoorzaamde en stond op. Maar hij was ineens blind. Hij kon niks zien. De mensen die met hem meereisden, leidden hem naar de stad Damascus. Drie dagen lang at en dronk Saulus niets.
Handelingen 9:8–9
Een van Jezus’ discipelen die in Damascus woonde, was Ananias. Jezus bezocht Ananias in een visioen en zei dat hij Saulus moest helpen.
Handelingen 9:10–12
Maar Ananias snapte het niet. Hij had over Saulus gehoord. Hij wist hoe erg Saulus de discipelen van Jezus had bestreden.
Handelingen 9:13–14
Jezus vroeg Ananias om Saulus toch te helpen. Jezus zei dat Hij Saulus had uitgekozen om zijn evangelie te prediken aan mensen die niet Joods waren en Hem niet kenden.
Handelingen 9:15–16
Ananias gehoorzaamde Jezus. Hij vond Saulus en gaf hem een zegen. Ananias noemde Saulus ‘broeder’.
Handelingen 9:17
Ananias zei dat Jezus hem had gestuurd zodat Saulus kon worden genezen en met de Heilige Geest worden vervuld. Meteen kon Saulus weer zien.
Handelingen 9:17–18
Saulus liet zich dopen. Daarna vertelde hij iedereen in de stad over Jezus Christus. Het volk was verbaasd dat Saulus zo veranderd was. Saulus werd de rest van zijn leven Paulus genoemd. Hij leerde alle mensen, Joden en veel anderen, om in Jezus te geloven. Paulus werd een apostel van Jezus Christus.
Handelingen 9:18–22, 29–31; 13:9