Verhalen uit de Schriften
Jezus brengt Lazarus weer tot leven: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’


Johannes 11:1–46

Jezus brengt Lazarus weer tot leven

‘Ik ben de Opstanding en het Leven’

Maria, Martha en Lazarus.

Maria, Martha en Lazarus woonden in het dorp Bethanië. Ze geloofden in Jezus en Hij hield van hen. Maria en Martha waren de zussen van Lazarus.

Johannes 11:1, 5

Lazarus wordt ziek.

Lazarus werd erg ziek. Jezus was in een andere stad. Maria en Martha stuurden een bericht om Hem te laten weten dat zijn vriend ziek was.

Johannes 11:1–3

Jezus zegt dat Hij Lazarus weer tot leven zal brengen.

Jezus wachtte twee dagen. Toen zei Hij tegen zijn discipelen dat ze naar Bethanië zouden gaan. De discipelen maakten zich zorgen omdat sommige mensen in Bethanië Jezus kwaad wilden doen. Maar Jezus wilde Lazarus helpen. Jezus zei dat Lazarus al gestorven was en dat Hij hem weer tot leven zou brengen.

Johannes 11:6–16

Martha komt Jezus tegemoet.

Martha kwam Jezus buiten het dorp tegemoet. Ze zei dat Lazarus niet dood zou zijn gegaan als Jezus eerder was gekomen. Jezus beloofde dat Lazarus weer zou leven.

Johannes 11:17–24

Martha praat met Jezus.

Jezus zei: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven.’ Hij vroeg Martha of ze Hem geloofde. Ze zei: ‘Ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God.’

Johannes 11:25–27

Martha, Maria en Jezus.

Martha ging terug naar huis en zei tegen Maria dat Jezus er was. Maria kwam en viel aan de voeten van Jezus neer en huilde om haar broer. Jezus huilde ook. Hij hield van Lazarus, Maria en Martha.

Johannes 11:28–36

Jezus gaat naar de grot waar Lazarus is begraven.

Jezus, Martha, Maria en wat andere mensen gingen naar de grot waar Lazarus was begraven. Een grote steen lag voor de opening. Jezus zei dat ze de steen moesten weghalen.

Johannes 11:38–39

Jezus vraagt Martha Hem te geloven.

Maar Martha zei tegen Jezus dat Lazarus al vier dagen dood was. Jezus herinnerde Martha aan zijn belofte. Hij vroeg haar om geloof te hebben.

Johannes 11:39–40

Jezus zegt tegen Lazarus dat hij naar buiten moet komen.

Toen bad Jezus tot zijn Vader. Hij dankte God dat Hij altijd naar Hem luisterde. Jezus wilde dat de mensen geloofden dat God Hem als Heiland had gestuurd. Toen riep Jezus: ‘Lazarus, kom naar buiten!’

Johannes 11:41–43

Lazarus loopt de grot uit.

Lazarus kwam de grot uit. Hij was nog steeds gewikkeld in de kleren en doeken waarin hij was begraven. Jezus zei dat de mensen de doeken van hem af moesten halen. Veel mensen die het hadden gezien, geloofden dat Jezus echt de Heiland, de Zoon van God, was.

Johannes 11:44–45