Handelingen 21–22; 26–28
Wonderen tijdens Paulus’ reis naar Rome
De Heer zegent zijn dienstknecht
De Geest zei tegen Paulus dat hij naar Jeruzalem moest gaan. Daar waren veel mensen niet blij met de dingen die Paulus over Jezus Christus zei. Ze namen hem gevangen en bonden hem met kettingen vast. Paulus vertelde iedereen dat hij een licht uit de hemel had gezien, de stem van Jezus had gehoord en zich had laten dopen.
Handelingen 21:4, 12–13, 27–40; 22:1–16
Paulus werd in de gevangenis gezet. Terwijl hij daar was, verscheen Jezus en zei: ‘Heb goede moed, Paulus.’ Hij zei dat Paulus in Rome van Hem zou getuigen.
Handelingen 23:10–11
Paulus werd voor stadhouders en een koning gebracht. Hij getuigde krachtig van Jezus Christus tot deze machtige heersers. Hij wilde dat iedereen in Jezus zou geloven.
Handelingen 24:10–27; 25:6–8, 17–19; 26:1–29
De koning stuurde Paulus naar Rome om door Caesar, de keizer, te worden berecht. Paulus reisde met andere gevangenen met een schip dat onderweg verschillende havens zou aandoen. In een van die havens, wist Paulus dat het bijna winter zou worden. Als ze door zouden varen, zouden ze in groot gevaar zijn. Hij zei tegen de bemanning dat ze moesten wachten tot het weer beter werd.
Handelingen 27:1–10
Niemand geloofde Paulus, dus voeren ze door. Er stak een zware storm op en het schip werd dagenlang door de golven heen en weer geslingerd. Ze konden de zon of de sterren niet zien. Ze dachten dat ze door de storm zouden omkomen.
Handelingen 27:11–20
Op een avond verscheen er een engel van God aan Paulus en zei: ‘Wees niet bevreesd, Paulus.’ De engel zei dat Paulus Rome zou bereiken, zoals de Heer had beloofd. Hij zei dat God iedereen op het schip zou beschermen, niemand zou sterven.
Handelingen 27:23–24
Paulus vertelde iedereen wat de engel had gezegd. Paulus zei: ‘Heb daarom goede moed, […] want ik geloof God.’
Handelingen 27:21–25
Dagen later liep het schip vast en zonk. Maar zoals de engel had beloofd, stierf niemand. Ze zwommen allemaal naar het eiland Malta.
Handelingen 27:40–44; 28:1
De mensen die op Malta woonden, waren vriendelijk voor Paulus en de anderen op het schip. Ze maakten een vuur zodat iedereen zich kon opwarmen.
Handelingen 28:2
Plotseling kwam er een slang uit het vuur die Paulus in zijn hand beet. Maar Paulus was niet gewond. Hij schudde de slang gewoon van zich af. De mensen stonden versteld!
Handelingen 28:3–6
Een man die Publius heette, liet Paulus in zijn huis logeren. Publius’ vader was erg ziek. Paulus legde hem de handen op en gebruikte Gods macht om hem te genezen.
Handelingen 28:7–8
Paulus bleef drie maanden op Malta. De Heer hielp hem veel wonderen te verrichten, waarbij hij zieke mensen zegende en genas. Daarna reisde Paulus, zoals de Heer had beloofd, door naar Rome.
Handelingen 28:9–16
Paulus was nog steeds een gevangene toen hij in Rome was. Maar zijn bewakers lieten toe dat mensen hem bezochten. Paulus vertelde iedereen die ernaar wilde luisteren over Jezus Christus. Hij schreef ook brieven aan kerkleden in verschillende plaatsen. Veel van die brieven staan in het Nieuwe Testament.
Handelingen 28:16–31