Mattheüs 26:36–46; Lukas 22:39–46
Jezus in Gethsémané
Lijden voor de zonden van de wereld
Jezus en zijn apostelen gingen naar een hof die Gethsémané heette. Jezus vroeg Petrus, Jakobus en Johannes om Hem te volgen en zei dat de anderen moesten wachten.
Mattheüs 26:36–37; Johannes 18:1
Jezus zei tegen Petrus, Jakobus en Johannes dat Hij erg verdrietig was. Hij vroeg ze om met Hem wakker te blijven terwijl Hij bad.
Mattheüs 26:38
Toen ging Jezus iets verder de hof in. Hij begon voor onze zonden te lijden, zodat wij ons kunnen bekeren en vergeving kunnen krijgen. Jezus voelde ook al onze pijn, ziekte en verdriet, zodat Hij zou weten hoe Hij ons kan helpen. Hij deed dit omdat Hij van ons houdt. Dit hoorde allemaal bij het plan van onze hemelse Vader.
Mattheüs 26:39; Lukas 22:41; Romeinen 3:23; Alma 7:11–13; 3 Nephi 27:19
Jezus’ lijden was zo pijnlijk dat Hij onze hemelse Vader vroeg of Hij het weg kon nemen. Maar Hij was bereid om te doen wat zijn Vader van Hem verlangde. Hij zei: ‘Laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden.’
Lukas 22:42
Jezus ging naar Petrus, Jakobus en Johannes en zag dat ze sliepen. Hij maakte ze wakker en vroeg ze opnieuw om wakker te blijven en te bidden. Maar Hij wist dat ze erg moe waren, ook al wilden ze wakker blijven.
Mattheüs 26:40–41
Jezus bad nog een keer. Er kwam een engel om Hem kracht te geven. Hij had heel veel pijn en Hij bad nog vuriger. Hij zweette druppels bloed die op de grond vielen.
Mattheüs 26:42; Lukas 22:43–44; Mosiah 3:7; Leer en Verbonden 19:16–19
Jezus ging nog twee keer naar Petrus, Jakobus en Johannes en zag telkens dat ze sliepen. Uiteindelijk maakte Hij ze wakker, want de tijd was gekomen dat Hij zou worden meegenomen.
Mattheüs 26:43–46