Verhalen uit de Schriften
Jezus geneest een vrouw en wekt de dochter van Jaïrus op: ‘Wees niet bevreesd, geloof alleen’


Markus 5:21–43

Jezus geneest een vrouw en wekt de dochter van Jaïrus op

‘Wees niet bevreesd, geloof alleen’

Jaïrus met zijn vrouw en dochter.

Een man die Jaïrus heette, woonde met zijn vrouw en dochter in een dorp bij het Meer van Galilea. Jaïrus was een leider in de synagoge, waar de Joden naartoe gingen om God te aanbidden.

Markus 5:22

De dochter van Jaïrus wordt erg ziek.

De dochter van Jaïrus, die nog maar 12 jaar was, werd erg ziek. Ze lag op sterven. Jaïrus wist dat ze hulp nodig had. Hij wist ook dat Jezus in hun dorp was.

Markus 5:22–23

Jaïrus vraagt Jezus om zijn dochter te genezen.

Jaïrus ging van huis en vond Jezus. Hij knielde aan de voeten van Jezus neer en vroeg Hem om zijn dochter te komen genezen. Jaïrus wist dat zijn dochter zou blijven leven als Jezus haar zegende. Jezus volgde Jaïrus naar zijn huis. Een grote menigte volgde Hem.

Markus 5:23–24

Een vrouw in de menigte wil door Jezus genezen worden.

Een vrouw in hetzelfde dorp had ook Jezus’ hulp nodig. Ze was al twaalf jaar erg ziek. Ze had al haar geld aan dokters uitgegeven, maar niemand kon haar genezen. Het ging steeds slechter met haar. Ze wist dat Jezus haar beter kon maken. Maar hoe kon ze door de menigte bij Hem komen?

Markus 5:25–27

Jesus Heals Woman Raises Jairus' Daughter

De vrouw geloofde dat ze genezen kon worden als ze alleen maar Jezus’ kleding zou aanraken. Ze stak haar hand naar Jezus uit toen Hij voorbijliep. Zodra ze de zoom van zijn gewaad aanraakte, was ze van haar ziekte genezen.

Mattheüs 9:20; Markus 5:27–29; Lukas 8:44

Jezus vraagt wie Hem heeft aangeraakt.

Jezus stond meteen stil. Hij voelde dat er kracht van Hem was uitgegaan. ‘Wie is het die Mij heeft aangeraakt?’ vroeg Hij. Zijn discipelen snapten het niet. Veel mensen hadden Hem aangeraakt – ze waren omringd door mensen. Jezus keek om Zich heen om te zien wie Hem had aangeraakt.

Markus 5:30–32; Lukas 8:45

Jezus zegt tegen de vrouw dat ze in vrede moet gaan.

Jezus zag de vrouw die zijn kleren had aangeraakt. Ze vertelde Jezus over haar ziekte en dat Jezus haar genezen had. Jezus troostte haar. Dankzij haar geloof in Hem was ze genezen. ‘Ga heen in vrede’, zei Hij tegen haar.

Markus 5:33–34; Lukas 8:47–48

Jaïrus hoort dat zijn dochter is gestorven.

Toen kwam er een man uit het huis van Jaïrus. Hij zei dat het te laat was: de dochter van Jaïrus was al gestorven. Jaïrus hoefde Jezus niet meer lastig te vallen.

Markus 5:35

Jezus zegt tegen Jaïrus dat hij in Hem moet geloven.

Zodra Jezus dat hoorde, zei Hij tegen Jaïrus: ‘Wees niet bevreesd, geloof alleen.’ Toen gingen ze naar het huis van Jaïrus.

Markus 5:36–38

Jezus zegt tegen de dochter van Jaïrus dat ze moet opstaan.

Jaïrus en zijn vrouw namen Jezus mee naar de plek waar hun dochter lag. Jezus pakte de hand van het meisje en zei tegen haar: ‘Sta op.’

Markus 5:41

De dochter van Jaïrus leeft weer.

Onmiddellijk stond de dochter van Jaïrus op. Ze was niet meer dood! Jezus vroeg Jaïrus en zijn vrouw om haar iets te eten te geven. Ze waren verbaasd over wat Jezus voor hun dochter had gedaan. Hij vroeg ze om dit wonder niet aan andere mensen te vertellen.

Markus 5:42–43