Inleiding
Over het Nieuwe Testament
Het verhaal van Jezus Christus en zijn volgelingen
De Bijbel bestaat uit twee delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament. In het Oude Testament schreven profeten van lang geleden. Sommige profeten schreven dat God had beloofd een Heiland te sturen. Hij zou de Zoon van God zijn en ons van zonde en de dood redden, zodat we weer bij God kunnen wonen.
Jesaja 53:3–5; Jakob 7:11; Mozes 4
In het Nieuwe Testament staat hoe deze belofte in vervulling is gegaan. Het gaat over de geboorte van Jezus Christus, de Zoon van God.
Lukas 2:4–7
Het Nieuwe Testament gaat ook over het leven van Jezus. Hij leefde onder de Joden en leert ons hoe we moeten leven, zodat we op een dag bij onze hemelse Vader kunnen terugkeren.
Mattheüs 5:1–2
Jezus zegende en diende mensen. Hij verrichtte veel wonderen voor hen. Zo genas Hij zieken en wekte Hij doden weer tot leven.
Mattheüs 4:23
Jezus koos twaalf van zijn volgelingen als apostelen. Hij gaf hun het gezag om zijn kerk te leiden.
Lukas 9:1–2
Omdat Jezus van ons houdt, heeft Hij al onze pijn, ons verdriet en onze zonden op Zich genomen. Hij is voor ons gestorven. Drie dagen later overwon Hij de dood en stond Hij op! Jezus Christus leeft en dankzij Hem kunnen we ons van onze zonden bekeren en na de dood weer leven.
Mensen die Jezus kenden en liefhadden, schreven over al deze dingen. Zijn apostelen schreven brieven om de leden van de kerk hun geloof in Jezus Christus te helpen versterken. Hun woorden zijn heel veel jaren bewaard gebleven. Nu kun jij ze in het Nieuwe Testament lezen en leren hoe je Jezus Christus kunt volgen.
Lukas 1:1–4