Verhalen uit de Schriften
Jezus geneest tien melaatse mannen: het belang van dankbaarheid


Lukas 17:11–19

Jezus geneest tien melaatse mannen

Het belang van dankbaarheid

Jezus ziet een groep mannen die ziek zijn.

Toen Jezus onderweg was, kwam Hij in een dorp waar Hij tien mannen zag met melaatsheid, een zeer ernstige huidziekte. Mensen met melaatsheid moesten uit de buurt van andere mensen blijven, zelfs hun familie, zodat ze hen niet ziek zouden maken.

Lukas 17:11–12

De mannen vragen Jezus of Hij hen wil genezen.

De mannen riepen Jezus en vroegen of Hij hen wilde genezen. Jezus zei dat ze naar de priesters in het dorp moesten gaan. Alleen de priesters konden beslissen of ze weer bij andere mensen mochten zijn.

Lukas 17:13–14; zie ook Leviticus 14:2–3

De mannen worden genezen.

Toen de tien zieke mannen naar de priesters liepen, gebeurde er een wonder. Hun ziekte was ineens weg. Ze waren weer helemaal beter!

Lukas 17:14

Eén van de mannen dankt God voor zijn genezing.

Toen één van de mannen zag dat hij genezen was, keerde hij om en dankte God met luide stem. Hij was een Samaritaan.

Lukas 17:15–16

Jezus praat met de man over geloof.

De man viel aan de voeten van Jezus om Hem te bedanken voor wat Hij had gedaan. Jezus vroeg waar de andere negen mannen waren die ook waren genezen. Er was maar één man teruggekomen om Hem te bedanken! Jezus zei tegen de man: ‘Sta op en ga heen. Uw geloof heeft u behouden.’

Lukas 17:16–19