Verhalen uit de Schriften
Jezus vraagt de apostelen zijn schapen te hoeden: Liefde voor Jezus tonen door anderen over Hem te vertellen


Johannes 21; Mattheüs 28:16–20; Markus 16:15–19

Jezus vraagt de apostelen zijn schapen te hoeden

Liefde voor Jezus tonen door anderen over Hem te vertellen

Petrus en de andere apostelen gaan vissen.

Na de opstanding van Jezus gingen Petrus en enkele andere apostelen vissen. Hoewel ze de hele nacht visten, vingen ze niets.

Johannes 21:1–3

Jezus vraagt de apostelen of ze vis hebben gevangen.

De volgende ochtend zagen de apostelen Jezus op de oever, maar ze wisten niet dat Hij het was. Hij vroeg of ze nog vis hadden gevangen. Ze zeiden van niet.

Johannes 21:4–5

De apostelen proberen het volle net in de boot te trekken.

Jezus zei tegen de apostelen dat ze hun net aan de rechterkant van het schip moesten uitwerpen, dan zouden ze vis vangen. De apostelen deden wat Jezus zei, en meer dan honderd grote vissen vulden het net! Het net was zo zwaar dat de apostelen het niet in de boot konden trekken.

Johannes 21:6

Petrus zwemt naar Jezus toe.

Toen besefte Johannes wie de man was. Hij zei tegen Petrus: ‘Het is de Heere!’ Petrus sprong in het water en zwom naar Jezus toe. De andere apostelen brachten de boot en de vis naar de oever. Jezus was wat brood en vis aan het bakken, en nodigde de apostelen uit om met Hem te eten.

Johannes 21:7–13

Jezus zegt tegen Petrus dat hij zijn lammeren moet weiden.

Nadat ze gegeten hadden, vroeg Jezus aan Petrus: ‘Hebt u Mij meer lief dan dezen?’ Petrus zei ja. Toen zei Jezus: ‘Weid Mijn lammeren.’

Johannes 21:15

Petrus zegt tegen Jezus dat hij van Hem houdt.

Toen vroeg Jezus opnieuw of Petrus Hem liefhad. Petrus zei ja. Jezus zei tegen hem: ‘Hoed mijn schapen.’

Johannes 21:16

Jezus leert Petrus dat hij moet zorgen voor de mensen die Hem volgen.

Jezus vroeg Petrus een derde keer of hij Hem liefhad. Petrus zei: ‘Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd.’ En Jezus zei tegen hem: ‘Weid mijn schapen.’ Hij wilde dat Petrus zou zorgen voor de mensen die Jezus volgen.

Johannes 21:17

Jezus zegt tegen de apostelen dat ze het evangelie moeten verkondigen.

Later vroeg Jezus zijn apostelen om Hem op een berg te ontmoeten. Daar droeg Hij ze op om zijn evangelie over de hele wereld te verkondigen, de mensen zijn geboden te leren en iedereen die geloofde te dopen. ‘U zult Mijn getuigen zijn’, zei Hij. Hij beloofde dat Hij bij hen zou zijn en hun kracht van de Heilige Geest zou geven.

Mattheüs 28:16–20; Markus 16:15–19; Handelingen 1:8

Jezus wordt ten hemel opgenomen.

Toen ging Jezus in een wolk de lucht in. Hij keerde terug naar zijn Vader in de hemel. Terwijl de apostelen Hem zagen vertrekken, verschenen er twee engelen. Ze zeiden dat Jezus op een dag op dezelfde manier naar de aarde zou terugkeren als Hij naar de hemel was gegaan.

Handelingen 1:9–11