Verhalen uit de Schriften
Cornelius en zijn vrienden ontvangen de Heilige Geest: Het evangelie is voor iedereen


Handelingen 10

Cornelius en zijn vrienden ontvangen de Heilige Geest

Het evangelie is voor iedereen

Cornelius en zijn gezin helpen iemand in nood.

Cornelius was een leider van Romeinse soldaten. Zijn gezin en hij geloofden in God, maar ze waren geen Joden en kenden Jezus Christus niet. Cornelius deelde wat hij had met de armen en bad vaak tot God.

Handelingen 10:1–2

Er verschijnt een engel aan Cornelius.

Op een middag kwam er een engel bij Cornelius terwijl hij aan het vasten en bidden was. De engel zei tegen Cornelius dat zijn gebed was verhoord. God had gezien dat hij een goed mens was. De engel zei tegen Cornelius dat hij de apostel Petrus moest zoeken, die in de stad Joppe was. Petrus zou Cornelius vertellen wat hij moest doen.

Handelingen 10:3–6, 30–32

Cornelius zegt tegen zijn dienstknechten dat ze Petrus moeten zoeken.

Cornelius vertelde zijn dienstknechten wat de engel had gezegd. Hij stuurde hen naar Joppe om Petrus te vragen bij hem langs te komen.

Handelingen 10:7–8

Petrus knielt in gebed.

In Joppe zat Petrus op het dak van het huis te bidden. Hij had honger en wilde net gaan eten toen hij plotseling een visioen zag.

Handelingen 10:9–10

Petrus krijgt een visioen.

Petrus zag een groot laken uit de hemel naar beneden komen, vol met allerlei soorten dieren en vogels. Toen hoorde Petrus een stem die zei dat hij die dieren moest opeten. Maar dit waren dieren die Joden niet mochten eten. Volgens de wet van Mozes waren ze onrein. Daarom wilde Petrus ze niet opeten.

Handelingen 10:11–14

Petrus ziet het visioen opnieuw.

De stem zei dat als God iets rein heeft gemaakt, het niet onrein genoemd mocht worden. Het visioen herhaalde zich drie keer. Petrus vroeg zich af wat het betekende.

Handelingen 10:15–17

Een stem zegt dat Petrus de dienstknechten van Cornelius tegemoet moet gaan.

Op dat moment zei de Geest tegen Petrus dat drie mannen hem zochten. ‘Reis met hen mee’, zei de Geest, ‘want Ik heb hen gestuurd.’

Handelingen 10:16–21

Petrus praat met de dienstknechten van Cornelius.

De drie mannen waren dienstknechten van Cornelius. Ze vertelden Petrus over de engel die Cornelius had gezien en vroegen of Petrus hem wilde komen onderwijzen. Joden gingen meestal niet naar het huis van mensen die geen Joden waren, en de apostelen onderwezen hen niet in het evangelie. Maar Petrus herinnerde zich zijn visioen en besloot te gaan.

Handelingen 10:22, 28

Petrus ontmoet Cornelius en zijn familie en vrienden.

Toen Petrus arriveerde, wachtte Cornelius hem met veel vrienden en familieleden op. Hij zei tegen Petrus dat ze wilden luisteren naar alles wat God hem gebood te zeggen.

Handelingen 10:26, 33

Petrus vertelt over Jezus Christus.

Petrus begreep wat God hem in het visioen duidelijk wilde maken. Petrus zei tegen iedereen dat God niet méér van de ene natie of groep mensen houdt dan van de andere. God aanvaardt iedereen die Hem volgt en het goede doet. Petrus vertelde Cornelius, zijn familie en vrienden over Jezus Christus.

Handelingen 10:34–43

Petrus doopt Cornelius’ familie en vrienden.

Terwijl hij onderwees, kwam de Heilige Geest tot iedereen die luisterde. Petrus nodigde hen uit om zich in de naam van Jezus Christus te laten dopen. Petrus had geleerd dat alle kinderen van God in de Kerk van Jezus Christus welkom zijn. Het evangelie van Jezus Christus werd aan iedereen verkondigd.

Handelingen 10:44–48