Verhalen uit de Schriften
Jezus spreekt over aarde, zaden, brood en parels: eenvoudige verhalen om geestelijke waarheden te verduidelijken


Mattheüs 13

Jezus spreekt over aarde, zaden, brood en parels

Eenvoudige verhalen om geestelijke waarheden te verduidelijken

Jezus onderwijst vanaf een boot terwijl de mensen luisteren.

Jezus vertelde vaak verhalen die we gelijkenissen noemen. In de gelijkenissen vergeleek Jezus gewone, alledaagse dingen met belangrijke waarheden van zijn evangelie. Om gelijkenissen te begrijpen, moesten zijn volgelingen aandachtig luisteren en diep over de betekenis ervan nadenken. Door de gelijkenissen leerden ze meer over het koninkrijk van God.

Mattheüs 13:3, 10–15

Jezus begint een gelijkenis over een man die zaait.

In een van de gelijkenissen ging een man naar een akker om te zaaien. Hij strooide veel zaad over het veld. Het zaad viel op verschillende soorten aarde.

Mattheüs 13:3

Een deel van het zaad valt langs de weg.

Een deel van het zaad viel langs de weg, waar het nooit zou groeien. Vogels kwamen en aten de zaden die vielen op.

Mattheüs 13:4

Een deel van het zaad valt op steenachtige grond.

Een deel van het zaad viel op steenachtige grond. Het zaad groeide snel, maar door de stenen konden de wortels niet groeien. Toen het heet werd, gingen de plantjes dood.

Mattheüs 13:5–6

Een deel van het zaad valt op aarde vol onkruid.

Een deel van het zaad viel tussen de dorens. Door de dorens kon het zaad niet groeien.

Mattheüs 13:7

Een deel van het zaad groeit uit tot sterke planten.

Andere zaadjes vielen in goede aarde. Ze werden sterke, gezonde planten. Ze gaven veel vruchten.

Mattheüs 13:8

Jezus legt uit dat het zaad het woord van God is.

Jezus legde de gelijkenis aan zijn discipelen uit. Het zaad is het woord van God. De verschillende soorten grond zijn het hart van mensen en de verschillende manieren waarop ze reageren wanneer ze Gods woord horen. De goede aarde is als mensen die Gods woord horen, begrijpen en gehoorzamen.

Mattheüs 13:18–23

Jezus vertelt over het mosterdzaad.

Jezus vertelde over een mosterdzaadje om uit te leggen hoe het koninkrijk van God zou groeien. Het is heel klein, maar groeit uit tot een boom waarin vogels kunnen wonen.

Mattheüs 13:31–32

Jezus vertelt over brood en zuurdeeg.

Jezus zei ook dat het koninkrijk van God te vergelijken is met zuurdeeg of gist waarmee een vrouw brood bakte. Er is maar een klein beetje zuurdeeg nodig om het hele brood te laten rijzen.

Mattheüs 13:33

Jezus vertelt een gelijkenis over een parel.

Jezus vertelde een ander verhaal over een man die parels kocht. Hij vond er een die heel mooi en waardevol was. Hij verkocht alles wat hij had zodat hij die parel kon kopen. Jezus vertelde dit verhaal om duidelijk te maken dat de zegeningen van het evangelie zo waardevol zijn dat we ons uiterste best moeten doen om ze te ontvangen.

Mattheüs 13:45–46