Mattheüs 14:13–21; Johannes 6
Jezus voedt duizenden mensen
Hij is het Brood des levens
Jezus kwam erachter dat Johannes de Doper was gedood. Hij ging naar een plek ver weg van de steden om wat tijd alleen door te brengen.
Mattheüs 14:13
Toen de mensen hoorden waar Jezus naartoe was gegaan, volgden ze Hem. Jezus zag hen en Hij voelde liefde voor hen. Hij zegende en genas hen de hele dag.
Mattheüs 14:13–14
Tegen het eind van de dag begonnen de mensen honger te krijgen. De apostelen vonden dat Jezus de mensen terug naar de steden moest sturen om eten te halen. Maar Jezus wilde dat ze bleven. Hij vroeg de apostelen om de mensen iets te eten te geven.
Mattheüs 14:15–16
De apostel Andreas vond een jongen die vijf broden en twee kleine vissen had om aan de mensen te geven. Maar er waren vijfduizend mannen, plus vrouwen en kinderen, die moesten eten. Hoe konden ze met zo’n klein beetje eten zoveel mensen voeden?
Mattheüs 14:17, 21; Johannes 6:8–10
Jezus vroeg de apostelen om Hem het eten te brengen. Hij liet de mensen op het gras zitten. Toen dankte Jezus zijn hemelse Vader voor het brood en de vis en zegende ze. Toen brak Hij het brood en de vis in stukken.
Mattheüs 14:18–19; Johannes 6:10–11
Jezus vroeg zijn apostelen om het brood en de vis aan de mensen te geven. Iedereen at en had genoeg. Nadat ze gegeten hadden, waren er nog twaalf manden vol eten over!
Mattheüs 14:20; Johannes 6:11–13
De volgende dag kwamen de mensen opnieuw naar Jezus. Maar Jezus wist dat velen van hen Hem alleen maar volgden omdat Hij ze eten had gegeven. Jezus herinnerde hen eraan dat eten maar kort houdbaar is. Hij kon ze iets beters geven.
Johannes 6:14, 24–27
Jezus zei: ‘Ik ben het Brood des levens.’ Brood geeft ons leven op aarde. Maar Jezus Christus kan ons het eeuwige leven bij onze hemelse Vader geven.
Johannes 6:35–58
Veel mensen vonden het niet leuk wat Jezus probeerde over te brengen. Ze gingen weg en besloten Jezus niet meer te volgen.
Johannes 6:60, 66
Jezus zei toen tegen zijn apostelen: ‘Wilt u ook niet weggaan?’ Petrus antwoordde: ‘Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig leven.’ De apostelen gingen niet weg. Zij wisten dat Jezus Christus de Heiland en de Zoon van God was.
Johannes 6:67–69