Johannes 4
Jezus, een vrouw en een bron
Over levend water leren
Jezus en zijn discipelen gingen door Samaria op weg naar Galilea. Ze stopten bij een bron om water te halen. Terwijl Jezus daar uitrustte, gingen zijn discipelen eten kopen.
Johannes 4:3–8
Een vrouw uit Samaria kwam naar de bron om haar waterkruik te vullen. Jezus vroeg haar om wat water. De vrouw was verbaasd. Jezus was een Jood en de meeste Joden spraken niet tegen Samaritanen.
Johannes 4:7–9
Jezus zei dat mensen die water uit de bron drinken weer dorst krijgen. Maar Hij kon haar het ‘levend water’ van het eeuwige leven geven, dan zou ze nooit meer dorst hebben. De vrouw zei dat ze van dit ‘levend water’ wilde hebben.
Johannes 4:10–14
Jezus zei dat ze haar man moest halen. ‘Ik heb geen man’, zei ze. Jezus zei dat ze vijf echtgenoten had gehad en dat de man met wie ze samenwoonde niet haar man was.
Johannes 4:16–18
De vrouw was verbaasd dat Jezus dit over haar wist. Ze zei dat ze wist dat er binnenkort een Heiland zou komen. Jezus vertelde haar dat Hij de Heiland is.
Johannes 4:19, 25–26
De vrouw liet haar waterkruik bij de bron achter en ging naar de stad. Ze vertelde veel mensen dat ze de Heiland had gevonden. Ze nodigde hen uit om naar Hem te komen luisteren. Door die vrouw geloofden veel Samaritanen in Jezus Christus.
Johannes 4:28–29, 39–42