Mattheüs 10; Lukas 5:1–11; 6:12–16
Jezus kiest zijn apostelen
Een uitnodiging om ‘vissers van mensen’ te worden
Op een dag kwamen er mensen naar het Meer van Galilea om Jezus te horen prediken. Jezus predikte vanaf een boot terwijl zij op de oever luisterden. De boot was van een visser die Simon heette.
Lukas 5:1–3
Toen Jezus klaar was, vroeg Hij Simon de boot naar het diepe gedeelte van het meer te varen. Hij zei tegen Simon dat hij zijn net in het water moest gooien om wat vis te vangen. Simon zei dat hij de hele nacht had gevist en geen enkele vis had gevangen. Maar omdat Jezus het hem vroeg, ging hij het nog eens proberen.
Lukas 5:4–5
Simon ving zoveel vissen dat zijn net scheurde! Hij riep zijn vrienden in een andere boot om hem te helpen. Al gauw zaten de boten zo vol dat ze begonnen te zinken. Simon en zijn vrienden waren heel verbaasd!
Lukas 5:6–7, 9
Simon knielde voor Jezus neer. Hij zei: ‘Heere […], ik ben een zondig mens.’ Hij wist dat Jezus door God was gezonden. Jezus zei dat hij niet bang hoefde te zijn.
Lukas 5:8
Jezus nodigde Simon, zijn broer Andreas en zijn vrienden Jakobus en Johannes uit om Hem te volgen. In plaats van vis te vangen, zouden ze mensen helpen om tot Jezus te komen.
Markus 1:16–17; Lukas 5:10–11
Simon, Jakobus en Johannes lieten hun vissersboten achter en werden apostelen van Jezus. Later gaf Jezus Simon de naam Petrus. Een apostel is een bijzondere getuige van Jezus Christus. Hij riep twaalf mannen als zijn apostel. Hij bad om te weten wie Hij moest roepen. Hij gaf zijn apostelen priesterschapsgezag om zijn kerk te leiden.
Mattheüs 10; Lukas 6:12–16; 9:1–2
Omdat de apostelen de macht van God hadden, konden ze ook zieke mensen genezen, doden weer tot leven wekken en andere wonderen verrichten.
Mattheüs 10:8
Jezus stuurde zijn apostelen naar veel steden om de mensen in zijn evangelie te onderwijzen. Hij zei dat de Heilige Geest hen zou laten weten wat ze moesten zeggen. Jezus zei dat sommige mensen hun boodschap niet leuk zouden vinden, maar als ze trouw dienden, zou God bij hen zijn.
Mattheüs 10:5–7, 19–22