Mattheüs 4:1–10
Satan verleidt Jezus
Een voorbeeld van verleiding weerstaan
Na zijn doop ging Jezus naar de woestijn om bij God te zijn. Hij at veertig dagen niet. Hij vastte en bad om Zich op zijn zending voor te bereiden.
Mattheüs 4:1–2; zie ook Bijbelvertaling van Joseph Smith, Mattheüs 4:1
Jezus had honger. Satan verscheen en verleidde Hem. Hij zei dat Jezus stenen in brood kon veranderen als Hij de Zoon van God was. Jezus deed het niet. Jezus haalde de Schriften aan om te zeggen dat Hij van het woord van God leefde, en niet alleen van brood.
Mattheüs 4:2–4
Toen bracht de Heilige Geest Jezus naar de tempelmuur. Satan verleidde Jezus om eraf te springen. Hij zei dat engelen Jezus niet zouden laten vallen als Hij de Zoon van God was. Jezus sprong niet. Hij zei tegen Satan dat er in de Schriften staat dat we God niet moeten uitdagen.
Mattheüs 4:5–7; zie Bijbelvertaling van Joseph Smith, Mattheüs 4:5–6
Daarna nam de Heilige Geest Jezus mee naar de top van een berg. Van daaruit kon Jezus alle koninkrijken van de wereld zien. Satan kwam en zei dat hij Jezus al deze koninkrijken zou geven als Hij hem zou aanbidden.
Mattheüs 4:8–10; zie Bijbelvertaling van Joseph Smith, Mattheüs 4:8–9
Jezus zei tegen Satan dat er in de Schriften staat dat we alleen God moeten aanbidden. Jezus zei tegen Satan dat hij weg moest gaan. Jezus ging naar Galilea om zijn evangelie te prediken. Hij was met de kracht van de Heilige Geest vervuld.
Lukas 4:13–14