De naam waarmee u aangeduid wordt
Wat betekent het om met de naam van Christus aangeduid te worden?
President Nelson heeft gezegd dat als de Heer rechtstreeks tot ons zou spreken, Hij eerst zou zorgen dat we onze ware identiteit begrijpen: wij zijn kinderen van God, kinderen van het verbond, en discipelen van Jezus Christus. Elke andere aanduiding zal ons uiteindelijk teleurstellen.
Ik kwam daar zelf achter toen mijn oudste zoon zijn eerste mobiele telefoon kreeg. Hij begon enthousiast de namen van zijn familieleden en vrienden in zijn lijst met contactpersonen te zetten. Op een dag zag ik dat zijn moeder hem belde. Op het scherm verscheen de naam ‘Moeder’. Dat was een verstandige, waardige keus. En eerlijk gezegd een teken van respect voor de betere ouder bij ons thuis. Natuurlijk was ik nieuwsgierig. Hoe had hij mij genoemd?
Scrollend door zijn contactpersonen nam ik aan dat als Wendi ‘Moeder’ was, ik wel ‘Vader’ moest zijn. Maar ik stond niet bij de ‘V’. Ik zocht naar ‘Papa’. Niets. Mijn nieuwsgierigheid maakte plaats voor een lichte bezorgdheid. ‘Noemt hij me “Corey”?’ Nee. Ik gaf het nog een laatste kans: ‘We voetballen allebei, misschien noemt hij me “Pelé”.’ IJdele hoop. Uiteindelijk belde ik zijn nummer, en zag de twee woorden die op het scherm verschenen: ‘Niet moeder’!
Broeders en zusters, met welke naam worden jullie aangeduid?
Jezus gaf zijn volgelingen allerlei namen: discipelen. Zonen en dochters. Kinderen van de profeten. Schapen. Vrienden. Het licht van de wereld. Heiligen. Elk van die namen heeft eeuwige betekenis en onderstreept een persoonlijke relatie met de Heiland.
Maar een van de namen steekt boven alle andere uit: de naam van Christus. In het Boek van Mormon heeft koning Benjamin krachtig uitgelegd:
‘Er is geen andere naam gegeven waardoor redding komt; daarom wil ik dat u de naam van Christus op u neemt. […]
‘En het zal geschieden dat wie ook dat doet, aan de rechterhand van God zal worden bevonden, want hij zal de naam kennen waarmee hij wordt aangeduid; want hij zal worden aangeduid met de naam van Christus.’
Zij die de naam van Jezus Christus op zich nemen, worden zijn discipelen en getuigen. In het boek Handelingen lezen we dat getuigen na de opstanding van Jezus Christus geboden werd om te prediken en te getuigen dat wie ook in Jezus geloofde, zich liet dopen en de Heilige Geest ontving, vergeving van zonden zou krijgen. Zij die deze heilige verordeningen ontvingen, kwamen met de kerk bijeen, werden discipelen, en werden christenen genoemd. Het Boek van Mormon beschrijft ook gelovigen in Christus als christenen, en hen die verbonden met God sloten als ‘de kinderen van Christus […], zijn zonen en zijn dochters’.
Wat betekent het om met de naam van Christus aangeduid te worden? Het betekent verbonden sluiten en nakomen, Hem altijd indachtig zijn, zijn geboden onderhouden, en ‘gewillig [zijn] in alle dingen en op alle plaatsen waar u zich ook mag bevinden, als getuige van God op te treden’. Het betekent de profeten en apostelen terzijde staan die Christus’ boodschap aan de wereld brengen, met haar leerstellingen, verbonden en verordeningen. Het betekent ook anderen dienen om lijden te verlichten, een licht zijn, en hoop in Christus aan alle mensen brengen. Uiteraard is het een levenslang proces. De profeet Joseph Smith heeft gezegd ‘dat niemand dit stadium in een oogwenk kan bereiken’.
Omdat de ontwikkeling van ons discipelschap tijd en moeite kost, en ‘regel op regel, voorschrift op voorschrift’ plaatsvindt, kunnen we al te makkelijk opgaan in de titels die de wereld ons geeft. Maar die hebben slechts tijdelijke waarde en zullen op zich nooit toereikend zijn. Verlossing en eeuwige zaken komen louter ‘in en door de heilige Messias’. Daarom is het opvolgen van profetische raad om het discipelschap een prioriteit te maken zowel tijdig als verstandig, met name nu er zo veel verschillende stemmen en invloeden onze aandacht vragen. Dit was de kern van deze raad die koning Benjamin gaf: ‘Ik wil dat u eraan denkt de naam [van Christus] altijd in uw hart gegrift te houden, opdat u […] de stem waarmee u zult worden aangeduid, hoort en kent, en ook de naam waarmee Hij u zal aanduiden.’
Ik heb dit in mijn eigen familie gezien. Mijn overgrootvader Martin Gassner veranderde voor altijd doordat een nederige gemeentepresident gehoor gaf aan de oproep van de Heiland. In 1909 waren het moeilijke tijden in Duitsland, en men had weinig geld. Martin was lasser in een buizenfabriek. Hij gaf toe dat hij zijn geld bijna elke betaaldag verkwistte aan drinken, roken, en zijn vrienden in het café rondjes geven. Zijn vrouw waarschuwde hem uiteindelijk dat ze hem zou verlaten als hij zijn leven niet beterde.
Op een dag kwam een bevriende collega Martin onderweg naar het café tegemoet met een verkreukelde godsdienstige brochure in zijn hand. Hij had die op straat gevonden en zei tegen Martin dat hij iets bijzonders voelde toen hij de brochure las, die de titel droeg Was wissen Sie von den Mormonen?, oftewel Wat weet u van de mormonen? Die titel zal inmiddels vast veranderd zijn.
Op de achterkant was een adres gestempeld, net leesbaar genoeg om te ontcijferen waar de kerk zich bevond. De kerk was best ver weg, maar wat ze lazen, raakte hen. Ze besloten die zondag de trein te nemen en op onderzoek uit te gaan. Toen ze arriveerden, zagen ze dat het niet zoals verwacht een kerk was, maar een uitvaartcentrum. Martin aarzelde, want een kerk in een uitvaartcentrum deed hem iets te veel aan een koppeltransactie denken.
Maar boven, in een gehuurde ruimte, vonden ze een kleine groep heiligen. Een man nodigde hen uit om een getuigenisdienst bij te wonen. Martin werd geraakt door de Geest en was zo onder de indruk van de eenvoudige maar vurige getuigenissen dat hij zelf zijn getuigenis gaf. En daar, op die uiterst onwaarschijnlijke plek, zei hij dat hij al wist dat het waar moest zijn.
Na de dienst stelde de man zich voor als de gemeentepresident, en hij vroeg of ze terug wilden komen. Martin zei dat hij te ver weg woonde en zich de wekelijkse reis niet kon veroorloven. De gemeentepresident zei eenvoudigweg: ‘Volg mij.’
Ze liepen enkele straten naar een nabijgelegen fabriek waar een vriend van de gemeentepresident werkte. Na een kort gesprek kregen Martin en zijn vriend allebei een baan aangeboden. Toen bracht de gemeentepresident ze naar een flatgebouw en regelde voor beide gezinnen elk een woning.
Dit gebeurde allemaal binnen twee uur. Een week later verhuisde Martins gezin. Een half jaar later lieten zij zich dopen. De man die ooit als een hopeloze dronkaard was beschouwd, werd zo ijverig in zijn nieuwe geloof dat de mensen in die plaats hem, misschien niet zo lovend, ‘de priester’ gingen noemen.
Ik kan de naam van de gemeentepresident niet noemen, die is in de geschiedenis verloren gegaan. Maar ik noem hem discipel, ambassadeur, christen, barmhartige Samaritaan en vriend. 116 jaar later is zijn invloed nog te voelen, en ik sta op de schouders van zijn discipelschap.
‘Er is een gezegde dat je de zaadjes in een appel kunt tellen, maar dat je de appels uit één zaadje niet kunt tellen.’ Het zaadje dat de gemeentepresident zaaide, heeft talloze vruchten afgeworpen. Hij kon onmogelijk weten dat er 48 jaar later in de Berntempel (Zwitserland) verscheidene generaties van Martins familie aan beide zijden van de sluier aan elkaar verzegeld zouden worden.
Misschien zijn de beste toespraken wel de toespraken die we niet horen, maar die we zien in de stille, bescheiden daden van gewone mensen in het dagelijks leven – mensen die proberen om net als Jezus goed te doen. Wat deze vriendelijke gemeentepresident deed, stond niet op een takenlijst. Hij leefde eenvoudigweg het evangelie na, zoals in het boek Alma staat: ‘Aldus zonden zij […] niemand weg die naakt was of die honger had, of die dorst had, of die ziek was, […] daarom waren zij vrijgevig jegens allen, zowel jong als oud, […] zowel man als vrouw.’ En iets wat we niet over het hoofd moeten zien, was dat ze niemand wegzonden, ‘zij het buiten of binnen de kerk’.
Zij die de naam van Christus op zich nemen, weten, zoals de profeet Joseph Smith heeft gezegd: ‘Een mens die vervuld is van Gods liefde, is niet tevreden als hij alleen zijn eigen gezin tot zegen is, maar gaat over de hele wereld uit om het hele mensdom tot zegen te zijn.’
Daar leefde Jezus naar. In feite deed Hij dat zo vaak dat zijn discipelen niet alles op konden schrijven. Aldus de apostel Johannes: ‘En er zijn nog veel andere dingen die Jezus gedaan heeft. Als die ieder afzonderlijk beschreven zouden worden, dan zou, denk ik, de wereld zelf de geschreven boeken niet kunnen bevatten.’
Laten wij ernaar streven om Christus’ voorbeeld te volgen, goed te doen en ons discipelschap een levenslange prioriteit te maken. Anderen zullen dan bij elk contact met ons Gods liefde en de bevestigende macht van de Heilige Geest voelen. Dan kunnen wij ons bij mijn overgrootvader en miljoenen anderen voegen die net als de discipel Andreas hebben gezegd: ‘Wij hebben de Messias gevonden.’
Uiteindelijk wordt onze identiteit niet door de wereld bepaald. Nee, ons discipelschap wordt bepaald door de verordeningen die we ontvangen, de verbonden die we nakomen, en de liefde die we God en onze naaste betonen door eenvoudigweg goed te doen. Zoals president Nelson heeft gezegd, wij zijn werkelijk Gods kinderen, verbondskinderen, discipelen van Jezus Christus.
Ik getuig dat Jezus Christus leeft en dat Hij ons heeft verlost. Hij was het die zei: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.’ In de naam van Jezus Christus. Amen.