2025
Zij zijn hun eigen rechter
November 2025


14:26

Zij zijn hun eigen rechter

(Alma 41:7)

Als we geloof in Jezus Christus oefenen, verbonden met God sluiten en die nakomen, en ons van onze zonden bekeren, dan zal het oordeel voor het gerecht aangenaam zijn.

Aan het einde van het Boek van Mormon geeft Moroni ons een inspirerende uitnodiging om ‘tot Christus’ te komen, ‘in Hem vervolmaakt’ te worden, ons ‘van alle goddeloosheid’ te onthouden, en ‘God […] met al [onze] macht, verstand en kracht’ lief te hebben. Het is boeiend dat zijn laatste instructie vooruitloopt op zowel de opstanding als het laatste oordeel.

Hij zegt: ‘Spoedig ga ik rusten in het paradijs van God, totdat mijn geest en lichaam zich wederom verenigen en ik zegevierend door de lucht word gevoerd om u te ontmoeten voor het aangename gerecht van de grote Jehova, de eeuwige Rechter van zowel de levenden als de doden.’

Moroni’s gebruik van het woord ‘aangename’ om het laatste oordeel te beschrijven intrigeert mij. Andere profeten in het Boek van Mormon beschrijven het oordeel eveneens als een ‘heerlijke dag’, waarnaar we vooruitblikken ‘met een oog vol geloof’. Maar vaak als we denken aan de dag van het oordeel komen andere profetische beschrijvingen in onze gedachten, zoals ‘schaamte en vreselijke schuld’, ‘angst en vrees’ en ‘eindeloze ellende’.

Ik geloof dat dit sterke contrast in taalgebruik aangeeft dat de leer van Christus Moroni en andere profeten in staat stelde om verlangend en met hoopvolle verwachting naar die grote dag uit te zien, en niet met de angst waarvoor ze hen die geestelijk niet voorbereid waren waarschuwden. Wat begreep Moroni dat jij en ik moeten leren?

Ik bid om steun van de Heilige Geest nu we het plan van geluk en barmhartigheid van onze hemelse Vader bespreken, de rol van de Heiland bij de verzoening in het plan van de Vader, en hoe wij ‘op de dag van het oordeel rekenschap verschuldigd [zullen] zijn voor [onze] eigen zonden’.

Het plan van geluk van onze Vader

Het allesomvattende doel van het plan van de Vader is zijn geestkinderen de mogelijkheid bieden om een stoffelijk lichaam te ontvangen en ‘goed van kwaad te onderscheiden’ door aardse ervaring op te doen, geestelijk te groeien en eeuwig vooruitgang te maken.

Wat in de Leer en Verbonden morele keuzevrijheid wordt genoemd, is een kernpunt in Gods plan om de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van zijn zoons en dochters tot stand te brengen. Dit essentiële beginsel wordt in de Schriften ook wel gewoon keuzevrijheid genoemd, of vrijheid om te kiezen en te handelen.

De uitdrukking ‘morele keuzevrijheid’ zegt veel. Enkele synoniemen voor het woord ‘moreel’ zijn ‘goed’, ‘eerlijk’ en ‘deugdzaam’. ‘Keuzevrijheid’ heeft te maken met ‘handelen’, ‘activiteit’ en ‘werk’. We kunnen ‘morele keuzevrijheid’ dus zien als het vermogen en het voorrecht om zelf te kiezen en te handelen op manieren die goed, eerlijk, deugdzaam en eerzaam zijn.

Gods scheppingen bestaan uit ‘zowel dingen om te handelen als dingen om mee te handelen’. En morele keuzevrijheid is de door God gegeven ‘kracht om zelfstandig te handelen’. Daardoor zijn wij als Gods kinderen dus in staat om te handelen, en niet slechts voorwerpen waarmee gehandeld wordt.

De aarde is geschapen om de kinderen van onze hemelse Vader te beproeven en te zien ‘of zij alles zullen doen wat de Heer, hun God, hun ook zal gebieden’. Het voornaamste doel van de schepping en ons aardse leven is ons de kans geven om te handelen en te worden wat en wie de Heer voor ogen heeft.

De Heer instrueerde Henoch:

‘Zie dezen, uw broeders; zij zijn het maaksel van mijn eigen handen, en hun kennis heb Ik hun gegeven ten dage dat Ik hen schiep; en in de hof van Eden heb Ik de mens zijn keuzevrijheid gegeven;

‘en tot uw broeders heb Ik gezegd, en hun ook het gebod gegeven, dat zij elkaar moeten liefhebben en dat zij voor Mij, hun Vader, moeten kiezen.’

De fundamentele doelen voor het uitoefenen van keuzevrijheid zijn dat wij elkaar liefhebben en voor God kiezen. Deze doelen komen precies overeen met het eerste en tweede grote gebod: God liefhebben met geheel ons hart, ziel en verstand, en onze naasten liefhebben als onszelf.

Bedenk dat ons is geboden – niet slechts aangespoord of geadviseerd, maar geboden – dat we onze keuzevrijheid moeten gebruiken om elkaar lief te hebben en voor God te kiezen. Ik wil in overweging geven dat het beschrijvende woord ‘morele’ misschien niet slechts een bijvoeglijk naamwoord is, maar ook een goddelijke aanwijzing voor hoe we onze keuzevrijheid moeten gebruiken.

Een bekende lofzang heeft niet voor niets de titel ‘Kies toch goed’. We zijn niet met morele keuzevrijheid gezegend om te doen wat we willen en wanneer we het maar willen. Maar volgens het plan van de Vader hebben we morele keuzevrijheid gekregen om eeuwige waarheid te zoeken en daarnaar te handelen. Daar we ‘naar eigen believen’ kunnen handelen, moeten we ‘gedreven voor een goede zaak werkzaam’ zijn, ‘vele dingen uit eigen vrije wil […] doen en veel gerechtigheid tot stand […] brengen’.

Het eeuwige belang van morele keuzevrijheid valt op in het Schriftuurlijke verslag van de voorsterfelijke raadsvergadering. Lucifer kwam in opstand tegen het plan van de Vader voor zijn kinderen en wilde de macht tot onafhankelijk handelen tenietdoen. Het is opmerkelijk dat zijn verzet zich rechtstreeks tegen het beginsel van morele keuzevrijheid richtte.

God legde uit: ‘Welnu, omdat Satan tegen Mij opstond en trachtte de keuzevrijheid van de mens te vernietigen, […] liet Ik hem […] neerwerpen.’

Het zelfzuchtige plan van de tegenstander was om Gods kinderen het vermogen te ontnemen ‘waardoor zij naar eigen believen [rechtschapen konden] handelen’. Hij wilde dat alle kinderen van onze hemelse Vader voorwerpen zouden worden waar alleen maar mee gehandeld kon worden.

Doen en worden

President Dallin H. Oaks heeft benadrukt dat het evangelie van Jezus Christus ons uitnodigt om iets te weten en iets te worden door rechtschapen gebruik van onze morele keuzevrijheid. Hij zei:

‘In veel teksten in de Bijbel en andere Schriftuur staat dat er een laatste oordeel zal zijn waarbij alle mensen beloond zullen worden naar hun daden of werken of de verlangens van hun hart. Maar andere teksten voegen hieraan toe dat wij geoordeeld zullen worden naar de staat waarin wij ons bevinden.

‘De profeet Nephi beschrijft het laatste oordeel in termen van wat we zijn geworden: “En indien hun werken vuilheid waren geweest, moesten zij zelf wel vuil zijn; en indien zij vuil waren, moest het wel zo zijn dat zij niet in het koninkrijk van God konden wonen” [1 Nephi 15:33; cursivering toegevoegd]. Moroni verklaart: “Dan komt de tijd dat hij die vuil is, nog steeds vuil zal zijn; en hij die rechtvaardig is, nog steeds rechtvaardig zal zijn” [Mormon 9:14; cursivering toegevoegd].’

President Oaks vervolgt: ‘Uit dergelijke leringen kunnen we afleiden dat het laatste oordeel niet slechts een optelsom van onze goede en slechte daden is – wat we hebben gedaan. Het is de erkenning van het uiteindelijke gevolg van onze handelingen en gedachten – wat we zijn geworden.’

De verzoening van de Heiland

Onze werken en verlangens alleen redden ons niet en kunnen dat ook niet. ‘Na alles wat wij kunnen doen’, worden wij alleen met God verzoend door de barmhartigheid en genade die dankzij het oneindige en eeuwige zoenoffer van de Heiland beschikbaar zijn.

Alma zegt: ‘Begin te geloven in de Zoon van God, dat Hij zal komen om zijn volk te verlossen, en dat Hij zal lijden en sterven om hun zonden te verzoenen; en dat Hij wederom uit de doden zal opstaan, hetgeen de opstanding teweeg zal brengen, en dat alle mensen op de laatste dag – de oordeelsdag – voor Hem zullen staan om naar hun werken te worden geoordeeld.’

‘Wij geloven dat door de verzoening van Christus de gehele mensheid kan worden gered door gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen van het evangelie.’ Hoe dankbaar moeten we zijn dat onze zonden en slechte daden niet tegen ons zullen getuigen als we werkelijk ‘wedergeboren’ zijn, geloof in de Verlosser oefenen, ons met een ‘oprecht hart’ en ‘eerlijke bedoeling’ bekeren en ‘tot het einde volhard[en]’.

Ontzag voor God

Velen van ons verwachten misschien dat ons verschijnen voor het gerecht van de eeuwige Rechter zal lijken op de gang van zaken in een wereldse rechtbank. Een rechter presideert. Er wordt bewijs aangedragen. Er wordt een uitspraak gedaan. En waarschijnlijk voelen we ons onzeker en bevreesd totdat we die uitspraak horen. Maar ik denk dat die beschrijving niet klopt.

De Schriften spreken over een andere vrees dan die wij vaak voelen, maar die er wel verband mee houdt, namelijk ‘ontzag’ of ‘de vreze des Heeren’. Wereldse vrees wekt onrust en angst op, maar ontzag voor God brengt innerlijke vrede, zekerheid en vertrouwen voort.

Dat ontzag omvat een diep gevoel van eerbied en respect voor de Heer Jezus Christus, gehoorzaamheid aan zijn geboden en uitzien naar het laatste oordeel en gerechtigheid door zijn hand. Ontzag voor God komt voort uit een juist begrip van de goddelijke aard en zending van de Verlosser, de bereidheid onze wil aan die van Hem te onderwerpen, en het besef dat iedere man en vrouw rekenschap verschuldigd zal zijn van zijn of haar eigen aardse verlangens, gedachten, woorden en daden op de dag van het oordeel.

De vreze des Heeren betekent niet dat we vrezen voor het oordeel in zijn tegenwoordigheid. Nee, het gaat om het vooruitzicht dat we uiteindelijk ‘de dingen zoals ze werkelijk zijn’ en ‘zoals ze werkelijk zullen zijn’ over onszelf zullen erkennen.

Ieder die op aarde heeft geleefd, nu leeft of nog zal leven, zal ‘voor het gerecht van God worden gebracht om door Hem te worden geoordeeld naar [zijn of haar] werken, hetzij die goed, hetzij die kwaad zijn’.

Als we naar rechtschapenheid verlangen en onze werken goed zijn – dat wil zeggen dat we geloof in Jezus Christus oefenen, verbonden met God sluiten en die nakomen, en ons van onze zonden bekeren – dan zal het oordeel voor het gerecht aangenaam zijn. Zoals Enos zei, zullen we ‘voor [de Verlosser] staan; dan [zullen we] zijn aangezicht met welbehagen aanschouwen’. En op die laatste dag zullen wij ‘met rechtvaardigheid worden beloond’.

Omgekeerd geldt: als we naar het kwade verlangen en onze werken slecht zijn, dan zal het oordeel voor het gerecht ons angst inboezemen. We zullen ‘een volmaakte kennis’, ‘een levendige herinnering’ en ‘een levendig besef van [onze] eigen schuld’ hebben. ‘Wij zullen niet naar onze God durven opzien; en wij zouden het liefst willen dat wij de rotsen en de bergen konden gebieden op ons te vallen om ons voor zijn tegenwoordigheid te verbergen.’ En op die laatste dag zullen wij onze ‘beloning van het kwaad ontvangen’.

Dan zijn wij uiteindelijk onze eigen rechter. Niemand hoeft ons dan te vertellen waar we naartoe gaan. In de tegenwoordigheid van de Heer zullen we erkennen wat we in het sterfelijk leven verkozen te worden en dan zullen we zelf weten waar we in de eeuwigheid thuishoren.

Belofte en getuigenis

Begrijpen dat het laatste oordeel aangenaam kan zijn, is niet alleen Moroni vergund.

Alma beschreef beloofde zegeningen die voor elke toegewijde discipel van de Heiland beschikbaar zijn. Hij zei:

‘De betekenis van het woord herstelling is kwaad wederom voor kwaad terug te krijgen, of vleselijk voor vleselijk, of duivels voor duivels – goed voor wat goed is; rechtvaardig voor wat rechtvaardig is; rechtmatig voor wat rechtmatig is; barmhartig voor wat barmhartig is.

‘[Z]ie toe barmhartig jegens je broeders te zijn; handel rechtmatig, oordeel rechtvaardig, en doe voortdurend goed; en indien je al die dingen doet, dan zul je je beloning ontvangen; ja, je zult barmhartigheid wederom tot je hersteld krijgen; je zult rechtmatigheid wederom tot je hersteld krijgen; je zult een rechtvaardig oordeel wederom tot je hersteld krijgen; en je zult het goede wederom aan je vergoed krijgen.’

Ik getuig blijmoedig dat Jezus Christus onze levende Heiland is. Alma’s belofte is waar, en op jou en mij van toepassing – vandaag, morgen en voor eeuwig. Daarvan getuig ik in de heilige naam van de Heer Jezus Christus. Amen.