‘Ben ik goed genoeg?’, Liahona, maart 2025.
Geloofsportret
Ben ik goed genoeg?
Ik dacht dat ik geloof, liefde en geestelijke waarheid zou vinden door een alternatieve levenswijze te leiden. Dat lukte me niet. Ik vond die dingen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en in de tempel.
Foto, Leslie Nilsson
Toen ik in de jaren zestig een tiener was, woedde de oorlog in Vietnam. John F. Kennedy was vermoord, net als Martin Luther King jr. en Robert Kennedy. Ik kwam in opstand tegen mijn ouders en alle tradities en instellingen van die tijd. Ik wilde niet trouwen of kinderen krijgen in een wereld die zo gewelddadig, oneerlijk en disfunctioneel was.
Ik stopte vroegtijdig met de middelbare school, verhuisde naar het district Haight Ashbury in San Francisco (Californië, VS) en leefde van 1969 tot 1972 een hippieleven. Ik woonde in communes, nam elke baan aan die ik maar kon vinden en omarmde een idealistische en hedonistische levensstijl, waaronder drugsgebruik.
Toen Randy tiener was, dacht hij dat hij geen gelukkige toekomst had. ‘Ik kwam in opstand tegen mijn ouders en alle tradities en instellingen van die tijd’, zegt hij.
Maar ik was ook op zoek naar geloof, liefde en geestelijke waarheid. Ik mediteerde en bestudeerde verschillende religies, en haalde er alles uit wat me waar of waardevol leek. Mijn zoektocht leidde echter voortdurend tot frustratie. Mijn broer, John, wist dat ik zoekende was en stuurde me een exemplaar van het Boek van Mormon.
‘Dit moet je lezen’, schreef John, die eerder lid van de kerk was geworden.
Toen ik ontslagen werd omdat ik op mijn werk bij een benzinestation het Boek van Mormon las, dacht ik: dit kan niet goed zijn. Ik gooide het boek weg.
Niet lang daarna vertelde John me dat hij met een zanggroep van de Brigham Young University in de buurt van San Francisco zou zijn.
‘Ik zou het leuk vinden om met je af te spreken’, zei hij. Hij stelde voor om bij de Oaklandtempel (Californië) af te spreken.
Als ik ’s avonds rond San Francisco reed, zag ik de tempel vaak. Ik voelde me er geestelijk toe aangetrokken, dus ik las erover en wilde naar binnen gaan. John en ik spraken ’s morgens vroeg op het tempelterrein af. Na ons bezoek zei hij dat het tijd voor zijn groep was om de tempel in te gaan.
‘Randy, jij kunt de tempel niet in’, zei John.
‘Dat weet ik, ik ben een hippie,’ antwoordde ik, ‘maar ik heb oosterse religies bestudeerd, ik ben vegetariër, ik woon in een commune waar we alles met elkaar delen, en ik heb 20 dollar. Hoe hoog kan de toegangsprijs zijn?’
‘Veel hoger dan dat’, zei John. ‘Je bent niet goed genoeg.’
In die tijd beschouwde ik mezelf als intellectueel, filosofisch en spiritueel vergevorderd. Waarom was ik niet goed genoeg?
Vol hoop
Mijn ouders wisten jarenlang niet waar ik was. Ze waren goede mensen die probeerden me de best mogelijke opleiding te geven. Ze waren begrijpelijkerwijs teleurgesteld met mijn keuzes. Toen mijn vader ziek werd, haalde mijn moeder me over om naar Washington D.C. terug te keren. Toen ik daar aankwam, vond John een baan voor me in een ploeg die de Washington D.C.-tempel aan het bouwen was.
Ik wist het niet, maar hij had geregeld dat ik met een groep teruggekeerde zendelingen zou werken. Ik was stomverbaasd dat John Howell, de hoofdvoorman, aan het begin van elke werkdag iemand in de ploeg vroeg om te bidden – iets wat ik nog nooit had gezien in ploegen waarmee ik eerder had gewerkt.
Op een dag plaatsten enkelen van ons een van de zware voordeuren van de tempel. De deur viel op mijn vinger, die werd geplet. John rende naar me toe, keek naar mijn vinger, vroeg om wat gewijde olie en gaf me een zegen. Mijn vinger genas zo snel dat ik niet naar een dokter hoefde te gaan.
Op een ander moment kreeg ik een scheermesje waarmee ik stukjes puin van de betonnen vloeren moest schrapen.
‘Waarom?’ vroeg ik aan een van de mensen in onze ploeg. ‘Ze leggen hier toch tapijt overheen?’
‘Randy, je weet niet van wie dit huis is, of wel?’ antwoordde hij. ‘Wij maken het volmaakt voor de Volmaakte.’
De wereld zwolg in cynisme, verbittering, haat en angst, maar het voorbeeld en de leringen van mijn jonge collega’s vervulden mij met hoop. Toen de mannen in de ploeg me over hun geloof vertelden, wist ik dat ze eerlijk en oprecht waren. Ze hadden twee jaar van hun leven gegeven om anderen te dienen, en ze waren optimistisch op een intelligente manier. Ik wilde dat hun leringen waar waren. Ik voelde dat ik de verlichting kreeg waarnaar ik op zoek was en dat de Heer me geestelijk aan het voorbereiden was.
John Howell stelde voor om met de voltijdzendelingen af te spreken. In plaats daarvan vroeg ik mijn broer en een van zijn vrienden, ook een teruggekeerde zendeling, mij te onderwijzen. Tijdens hun lessen wilde ik onomstotelijk bewijs dat wat ik leerde waar was. Zonder dat bewijs wilde ik niet verder praten.
Toen ik vroeg hoe zij de waarheid kenden, zeiden ze: ‘We hebben gelezen en gebeden, en een getuigenis van de Heilige Geest gevoeld.’ Ze zeiden dat ik hetzelfde getuigenis nodig had.
Die avond ging ik naar een bos bij ons in de buurt. Ik weet niet hoelang ik bad, maar ik deed het met volledig voornemen van hart. Ik stelde God herhaaldelijk dezelfde vier vragen: ‘Is het Boek van Mormon het woord van God? Zijn U en uw Zoon aan Joseph Smith verschenen? Is dit de ware Kerk van Jezus Christus? Ben ik goed genoeg om lid van de kerk te zijn?’
Het antwoord op elke vraag werd vier keer tot mijn ziel gefluisterd: ja. Dat gefluister ging gepaard met rustige, verheven gevoelens.
Met gebogen hoofd, knielend in gebed en mijn ogen vol tranen, riep ik uit: ‘Als dit uw antwoord op mijn vragen is, dan aanvaard ik dat en zal ik mijn leven volledig wijden aan U en dit evangelie zoals U dat mij openbaart.’ Ik kan niet in woorden uitdrukken met welke gedachten, gevoelens en waarheden ik werd vervuld.
Het getuigenis dat ik die avond ontving, was onweerlegbaar en is nu even sterk als toen. Sinds dat gebed heeft God mij die antwoorden op duizenden wonderbaarlijke en praktische manieren gegeven.
‘De kerk is een wonder’, zegt Randy, hier een maand na zijn doop. ‘En mijn leven in de kerk is wonderbaarlijk geweest.’
Ik kreeg een brandend gevoel vanbinnen
Kort na mijn doop in 1974 woonde ik met mijn broer, John, mijn eerste algemene conferentie in Salt Lake City bij. Ik was verbaasd toen ouderling Boyd K. Packer (1924–2015) van het Quorum der Twaalf Apostelen, die drie weken vóór die conferentie in New York City mijn tante had ontmoet, tijdens zijn toespraak op zondagochtend over John en mij sprak.
Ouderling Packer citeerde mijn tante: ‘Twee van mijn neven zijn lid van uw kerk geworden. Ik kan nauwelijks geloven hoe dat hun leven heeft veranderd.’
Door die ingrijpende verandering (zie Alma 5:14) kreeg ik een brandend gevoel vanbinnen dat ik wilde delen. Ik ging al snel in Idaho op voltijdzending. Halverwege mijn zending overleed mijn vader, mijn grootste held en beste vriend. Mijn moeder belde mijn zendingspresident en vroeg of ik naar huis kon komen om een grafrede te houden. Toen mijn zendingspresident mij de keuze gaf om dat al dan niet te doen, zei ik dat ik 24 uur wilde bidden en vasten voordat ik een beslissing nam.
Die nacht had ik een droom. Mijn vader verscheen aan mij. Ik had een geweldig en zinvol gesprek met hem en hij zei tegen mij: ‘Mijn zoon, blijf op zending.’
Ik volgde de raad van mijn vader op en bleef op zending.
Vanwege de ingrijpende verandering na zijn bekering kreeg Randy ‘een brandend gevoel vanbinnen’ dat hij als voltijdzendeling wilde delen.
Zes maanden na mijn zending hield ik mijn moeders hand vast toen ze haar laatste adem uitblies. Tientallen jaren later vond mijn vrouw, Lisa, een brief van mijn ouders in een oude doos. Mijn vader had die tijdens mijn zending aan mij geschreven, maar overleed voordat hij die kon opsturen.
‘Ons hart was en is altijd vol liefde voor jou. Ik weet dat het niet altijd perfect tussen ons ging, maar zo is het leven. […] Christus heeft niet gezegd: “Volg mij, dan zal het makkelijk zijn.” Hij zei dat wij ons “kruis moeten opnemen en [Hem moeten] volgen” (zie Mattheüs 16:24). Hij droeg het kruis, maar wij hebben allemaal onze eigen splinters. Misschien hangt onze plaats in de hemel af van hoe we met die van ons omgaan. Mijn zoon, we houden heel veel van je.’
Waar ik naar zocht
Toen ik opgroeide, maakte ik het mijn ouders moeilijk, maar ik twijfelde nooit aan hun liefde. Sinds ik de kerk heb gevonden, heb ik mijn best gedaan om ze te bedanken en te eren.
Op 17 februari 2018, twee weken voordat de Washington D.C.-tempel voor renovatie werd gesloten, werd ik aan mijn vader en moeder verzegeld, 42 jaar nadat zij door de sluier de eeuwigheid waren binnengegaan. Mijn oudste zoon, William, trad op als plaatsvervanger voor mijn vader, en Lisa trad op als plaatsvervanger voor mijn moeder. Ik had het gevoel dat mijn ouders, die eerder aan elkaar verzegeld waren, er allebei als geest bij waren.
In de tempel vinden we banden die ons voor altijd met onze dierbaren verbinden. Dat weet ik zeker.
Toen ik jong was, wilde ik niet trouwen of kinderen krijgen. Maar nu zijn mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen mijn grootste schatten. De kerk is een wonder, en mijn leven in de kerk is wonderbaarlijk geweest. Ik zeg net als Joseph Smith: ‘Als ik niet zelf had meegemaakt wat mij is overkomen, zou ik het zelf niet geloven.’
Vijftig jaar geleden was ik bouwvakker voor de Washington D.C.-tempel. Ik was ervan overtuigd dat ik geen gelukkige toekomst had. Nu ben ik verordeningswerker in diezelfde tempel. Ik ben op de uitnodiging van de Heer ingegaan om Hem te volgen, zijn genezing te ontvangen, zijn verordeningen te aanvaarden en ernaar te streven zoals Hij te worden.
Randy en zijn vrouw, Lisa, dienen in de Washington D.C.-tempel, die hij vijftig jaar geleden heeft helpen bouwen.
Foto, Leslie Nilsson
De herstelde kerk is geen theorie, filosofie, of slechts een gemeenschap of cultuur. Het is de ware kerk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.
Ik dacht dat ik in San Francisco zou vinden waar ik naar op zoek was. Dat lukte me niet. Ik vond het in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en in het huis des Heren, ‘het kroonjuweel van de herstelling’.