2025
De zegeningen van 1836 en de moeilijkheden van 1837
Januari 2025


‘De zegeningen van 1836 en de moeilijkheden van 1837’, Liahona, januari 2025.

De zegeningen van 1836 en de moeilijkheden van 1837

Als we aan onze geestelijke hoogtepunten denken, weten we dat we uiteindelijk uit onze dieptepunten verlost zullen worden.

binnenkant van de Kirtlandtempel

Binnenkant van de Kirtlandtempel

Foto, George Edward Anderson, 1907

In maart 2024 aanvaardde De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen de heilige verantwoordelijkheid om het eigendom van de Kirtlandtempel van de Gemeenschap van Christus over te nemen. Die tempel is een bijzondere plek en is sinds de inwijding in 1836 grotendeels onveranderd gebleven. Op paaszondag 3 april 1836 aanvaardde Jezus Christus hem als zijn huis (zie Leer en Verbonden 110). In die tempel kunnen we zijn aanwezigheid voelen en ons voorstellen waar Hij stond.

De Kirtlandtempel bevat verschillende lessen voor ons. Sommige daarvan kunnen we leren door na te denken over de gebeurtenissen van 1836 en 1837.

De geestelijke hoogtepunten van 1836

In januari 1836, toen de tempel bijna klaar was, werden de geestelijke zegeningen van een tempel in hun midden voelbaar voor de heiligen. Ze hadden de belofte dat ze in de Kirtlandtempel met macht zouden worden begiftigd (zie Leer en Verbonden 38:32, 38). Die belofte kwam overeen met wat de Heiland in het Nieuwe Testament tegen zijn apostelen in Jeruzalem zei. Na zijn opstanding zei Hij dat ze niet mochten gaan prediken voordat ze waren begiftigd met ‘kracht uit de hoogte’ (Lukas 24:49). Op de pinksterdag ontvingen zijn apostelen die macht toen de Geest op hen neerdaalde als ‘een geweldige windvlaag. […] En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen’ (Handelingen 2:2, 4).

In januari 1836 kwamen Joseph Smith en andere kerkleiders bijeen om te bidden, elkaar te zegenen en kerkzaken te regelen. Nadat ze de profeet Joseph gezegend hadden, kreeg hij een visioen van het celestiale koninkrijk. Hij zag onze hemelse Vader en Jezus Christus, Adam en Abraham, zijn eigen ouders (die nog leefden) en zijn oudere broer Alvin, die was gestorven zonder dat hij gedoopt was. Joseph Smith ontdekte dat ‘allen die gestorven zijn zonder kennis van dit evangelie, maar het aangenomen zouden hebben indien zij langer hadden mogen blijven, erfgenaam [zullen] zijn van het celestiale koninkrijk van God’ (Leer en Verbonden 137:7).

Twee maanden later, op 27 maart 1836, kwamen veel heiligen in de Kirtlandtempel samen voor de inwijding. Ze luisterden naar Josephs inwijdingsgebed, waarin hij onze hemelse Vader vroeg om de Kirtlandtempel te aanvaarden als een plek waar de Heiland ‘Zich aan zijn volk [zou] vertonen’ (Leer en Verbonden 109:5). Opeengepakt in die heilige ruimte zongen de heiligen ‘Gods Geest brandt in ’t harte’. Ze riepen in koor: ‘Hosanna! Hosanna! Hosanna, God en het Lam!’

Ze ondervonden geestelijke zegeningen bij de inwijding en in de daaropvolgende week. Ze vastten, baden, namen van het avondmaal, wasten elkaars voeten en kregen visioenen. Ze voelden zich gesterkt om uit te gaan en het evangelie te prediken. Ze waren begiftigd met macht van omhoog.

Maar de geestelijke manifestaties waren nog niet ten einde. Op 3 april 1836 verscheen de Heiland aan twee van zijn dienstknechten. ‘De sluier werd van ons verstand weggenomen en de ogen van ons begrip werden geopend’, zeiden Joseph Smith en Oliver Cowdery. ‘Wij zagen de Heer op de balustrade van het spreekgestoelte staan, vóór ons […], die zei: Ik ben de eerste en de laatste; Ik ben het die leeft, Ik ben het, die werd gedood; Ik ben uw voorspraak bij de Vader’ (Leer en Verbonden 110:1–4).

Na het bezoek van de Heiland verschenen Mozes, Elias en Elia aan Joseph en Oliver om sleutels over te dragen waarmee ze het evangelie van Jezus Christus konden prediken en Israël konden vergaderen, de aarde met het verbond van Abraham konden zegenen en gezinnen aan elkaar konden verzegelen (zie vers 11–16).

De moeilijkheden van 1837

Maar het verhaal van Kirtland eindigt niet met deze wonderbaarlijke manifestaties. Een jaar na de inwijding van de tempel begon de gemeenschap uiteen te vallen. Een internationale economische crisis leidde tot massale werkloosheid in de Verenigde Staten. Overal in het land gingen banken failliet, waaronder een kleine bank die door kerkleiders in Kirtland was opgericht om de ontwikkeling van de gemeenschap te stimuleren. Joseph Smith en andere kerkleiders probeerden wanhopig de plaatselijke economie te redden. Maar de wereldwijde economische crisis werd hun te veel. Mensen raakten hun baan en huis kwijt. Velen begonnen tegen God en de kerk te morren. Waarom had de Heer toegestaan dat zijn volk financieel in de problemen raakte? Sommigen begonnen in het geheim en vervolgens openbaar te verkondigen dat Joseph een gevallen profeet was.

Tijdens een bijeenkomst in de Kirtlandtempel in de zomer van 1837 sprak Joseph Smith sr., de patriarch van de kerk, in afwezigheid van zijn zoon. Terwijl hij sprak, probeerde een opstandeling hem van het spreekgestoelte te trekken. Toen William Smith zijn vader verdedigde, dreigde een mede-apostel William met een zwaard te doden. Andere mannen met messen en pistolen omsingelden William. De tempel, die een jaar eerder nog een heilige en geestelijke plek was geweest, was nu een plek van geweld, verdeeldheid en chaos geworden.

Toen Joseph Smith naar Kirtland terugkeerde, steunden de meeste kerkleden hem als profeet, maar werden drie apostelen uit het Quorum der Twaalf gezet. Economische problemen hadden tot geestelijke problemen geleid. Binnen een paar maanden droeg de Heer Joseph op om voor zijn eigen veiligheid en die van zijn gezin Kirtland te verlaten.

Uit de verslagen van ooggetuigen blijkt dat het een moeilijke tijd was. Vilate Kimball, de vrouw van apostel Heber C. Kimball, stuurde een brief naar haar man, die toen een van de eerste zendelingen in Engeland was. ‘Ik twijfel er niet aan dat dit je hartzeer zal brengen’, schreef ze aan Heber over de opstandelingen. ‘Zij beweren in het Boek van Mormon en de Leer en Verbonden te geloven, maar verloochenen die met hun werken.’

Vilate wist dat Joseph niet volmaakt was. Hij had tijdens de economische crisis in Kirtland fouten gemaakt. En ze bleef velen onder de opstandelingen liefhebben. Maar ze zag een diepere les in de gebeurtenissen van 1837: ‘De Heer zegt dat wie geen kastijding kan verdragen, maar Mij verloochent, niet geheiligd kan worden.’

In dezelfde brief schreef Marinda Hyde iets aan haar man, Orson, een andere apostel in Engeland. Marinda’s oudere broer was een van de apostelen die de kerk hadden verlaten. ‘Je hebt in Kirtland nog nooit zulke tijden meegemaakt als nu, want het lijkt wel of alle vertrouwen in elkaar weg is’, schreef ze.

De lessen van 1836–1837

Waarom gedenken we de tragische gebeurtenissen van 1837 en niet alleen de triomfen van 1836? Omdat we die twee natuurlijk nooit los van elkaar kunnen zien. Zo is het ook in ons leven. God schenkt ons allemaal perioden van geestelijke zegeningen, momenten waarop Hij tot onze ziel spreekt en ons bij de hand over het verbondspad leidt. Hij schenkt ons tijden van stabiliteit, tijden waarin we meer dan genoeg hebben, tijden waarin onze familie gezond en gelukkig is, tijden waarin onze vrienden dichtbij zijn en we in nauw contact met hen staan. We maken allemaal tijden als 1836 mee.

Maar God heeft nooit beloofd dat we alleen 1836 zouden meemaken. We krijgen ook allemaal met 1837 te maken. We krijgen te maken met economische instabiliteit, waardoor we ons afvragen waar we geld vandaan zullen halen. We krijgen te maken met persoonlijke instabiliteit, wanneer plotselinge ziekte, chronische ziekte, depressie of angststoornissen in onze familie de kop opsteken. We krijgen te maken met sociale instabiliteit, wanneer onze vriendschappen verwateren of vrienden ons verraden.

Als we ons niet herinneren wat we in ons eigen 1836 hebben meegemaakt – momenten waarop wij de hand van de Heer hebben gevoeld – kan 1837 tot geestelijke instabiliteit leiden. Dat kan ons ertoe verleiden om te zeggen: ‘Dit is het niet waard.’ Het kan ons ertoe verleiden om te zeggen: ‘God houdt niet van mij.’ Het kan ons ertoe verleiden om te zeggen: ‘Joseph Smith was geen profeet.’ Of: ‘President Nelson is geen profeet van God.’ Het kan ons ertoe verleiden om te zeggen: ‘Het verbondspad is niets voor mij.’

Maar als we 1836 geestelijk in gedachten houden en geestelijk in die tijd blijven, zelfs wanneer we de beproevingen van 1837 doormaken, kunnen we nog steeds gegrond zijn in ons geloof in Jezus Christus, kunnen we nog steeds weten dat God ons liefheeft, en kunnen we nog steeds weten dat de herstelling van het evangelie en de Kerk van Jezus Christus echt heeft plaatsgevonden, en dat de Heer zijn kerk door middel van zijn gekozen dienstknechten leidt.

Noot

  1. De historische citaten zijn afkomstig uit Saints: The Story of the Church of Jesus Christ in the Latter Days, deel 1, The Standard of Truth, 1815–1846 (2018), 297, 298.