Verhalen uit de Schriften
De familie Martins


‘De familie Martins’, Verhalen uit de Leer en Verbonden (2024)

‘De familie Martins’, Verhalen uit de Leer en Verbonden

April 1972–november 1978

De familie Martins

Wachten op de zegeningen van de Heer

Helvécio Martins rijdt van zijn werk naar huis.

Helvécio Martins reed van zijn werk in Rio de Janeiro (Brazilië) naar huis. Er waren zoveel auto’s op de weg dat niemand kon doorrijden. Helvécio dacht na over zijn leven. Hij had een goede baan. Hij hield van zijn vrouw, Rudá, en zijn twee kinderen, Marcus en Marisa. Maar hij had het gevoel dat er iets ontbrak.

Saints, deel 4, 229–230

Helvécio bidt op zijn knieën.

Helvécio stapte uit de auto en begon te bidden. ‘Mijn God,’ zei hij, ‘ik weet dat U daar ergens bent, maar ik weet niet waar.’ Hij zei tegen zijn hemelse Vader dat zijn familie naar iets op zoek was en dat ze zijn hulp nodig hadden. Toen stapte Helvécio weer in zijn auto en reed naar huis.

Saints, deel 4, 230

Martins begroet zendelingen van de kerk.

Later stuurde de Heer zendelingen uit de Verenigde Staten. Ze bezochten de familie Martins. Helvécio merkte dat ze een vredige sfeer in zijn huis brachten. Hij wist dat mensen met een donkere huidskleur in die tijd vaak niet goed werden behandeld in de Verenigde Staten. Hij vroeg: ‘Hoe worden zwarte mensen in jullie godsdienst behandeld?’

Saints, deel 4, 230–231

De zendelingen leggen de tempel- en priesterschapsrestricties aan de familie Martins uit.

De zendelingen legden uit dat al Gods kinderen zich kunnen laten dopen. Maar in die tijd mochten zwarte mensen met Afrikaanse voorouders het priesterschap niet dragen en de meeste tempelzegens niet ontvangen. Helvécio en Rudá hadden nog veel meer vragen. De zendelingen probeerden die zo goed mogelijk te beantwoorden.

Saints, deel 4, 231

De president van de kerk, David O. McKay, geknield in gebed.

Jarenlang hadden profeten gebeden om te weten wanneer alle mensen het priesterschap en de tempelzegens mochten ontvangen.

Saints, deel 4, 71

De familie Martins begroet mensen in een kerkdienst.

Helvécio en Rudá besloten naar de kerk te gaan. De heiligen daar waren erg liefdevol en vriendelijk. De familie Martins vond het mooi wat ze in de kerk leerden.

Saints, deel 4, 231–232

De familie Martins besluit zich te laten dopen.

Op een dag op weg naar huis uit de kerk zei Marcus tegen zijn familie dat het hem was opgevallen dat ze gelukkiger leken. ‘Ik weet hoe dat komt’, zei Marcus. ‘Door het evangelie van Jezus Christus.’ De rest van het gezin wist dat Marcus gelijk had. Ze wilden zich laten dopen en bevestigen.

Saints, deel 4, 232

Helvécio en Rudá bezoeken het bouwterrein van de São Paulotempel (Brazilië).

Jaren later waren de heiligen in Brazilië druk bezig met de bouw van een tempel. De familie Martins was blij, maar ook verdrietig. Ze mochten na de inwijding de tempel niet meer in. ‘Maak je geen zorgen’, zei Helvécio tegen Rudá. ‘De Heer weet alles.’

Saints, deel 4, 293–294

De familie Martins praat met een vriend.

Het was niet makkelijk om getrouw te blijven. Mensen maakten de familie Martins belachelijk. Zelfs hun vrienden begrepen niet waarom ze lid van de kerk bleven. Maar Helvécio en zijn gezin wisten dat het de kerk van Jezus Christus was.

Saints, deel 4, 251–252

Rudá vertelt Helvécio over het einde van de tempel- en priesterschapsrestricties.

Toen Helvécio op een dag thuiskwam uit zijn werk, zei Rudá: ‘Ik heb nieuws, geweldig nieuws!’ Na veel vasten en gebed had de profeet, president Spencer W. Kimball, een openbaring ontvangen. God had hem verteld dat iedereen, ongeacht zijn huidskleur, alle zegeningen van het priesterschap en de tempel mocht ontvangen.

Officiële verklaring 2; Saints, deel 4, 318–319

De familie Martins aanbidt in de tempel.

De familie Martins en vele anderen hadden zo lang gewacht. Nu was het wachten voorbij! Helvécio en Marcus ontvingen het priesterschap. Helvécio, Rudá en hun kinderen werden in de tempel als gezin aan elkaar verzegeld. Ze konden nu alle zegeningen van het evangelie ontvangen.

Saints, deel 4, 319–321