Verhalen uit de Schriften
De familie Jackson


‘De familie Jackson’, Verhalen uit de Leer en Verbonden (2024)

‘De familie Jackson’, Verhalen uit de Leer en Verbonden

Mei–november 1856

De familie Jackson

Een reis van geloof en redding

De familie Jackson gaat aan boord van een schip in Liverpool (Engeland).

Nadat de eerste groep heiligen naar de Salt Lake Valley was vertrokken, volgden nog duizenden andere heiligen. Ze legden een lange reis af en de Heer hielp hen. De familie Jackson was een van de gezinnen die de reis maakten. Ze lieten hun huis in Engeland achter en keken ernaar uit om de heiligen te helpen met de opbouw van Zion.

Leer en Verbonden 136:1–11; Saints, deel 2, 222–223

De familie Jackson reist per schip.

De familie Jackson stak de oceaan over op een schip. Daarna namen ze de trein voor een deel van de reis naar de Salt Lake Valley. Ze moesten de rest van de reis lopen.

Saints, deel 2, 222–223

De familie Jackson laadt hun handkar in.

Ze maakten een kleine handkar voor hun eten, kleding en andere dingen die ze wilden meenemen. Veel heiligen bereikten veilig de vallei op deze manier.

Saints, deel 2, 223–226

De familie Jackson gaat met een handkar naar het westen.

Elizabeth en Aaron Jackson trokken hun zware handkar. Hun kinderen, Martha, Mary en Aaron jr., liepen mee. Dat was zwaar werk. Ze hoopten nog voor de winter in de vallei aan te komen. Maar toen het herfst werd, hadden ze nog een lange weg te gaan. Het begon koud te worden en ze hadden bijna geen eten meer.

Saints, deel 2, 223–226, 229, 231–232

Brigham Young vraagt de heiligen in Salt Lake City om de heiligen te helpen die naar het westen trekken.

In Salt Lake City hoorde Brigham Young over de heiligen die onderweg waren naar de vallei. Hij maakte zich zorgen over hen. De volgende dag vertelde hij iedereen in de kerk dat deze heiligen in de problemen zaten. Hij vroeg ze om wagens vol te laden met spullen die de heiligen nodig hadden. ‘Ga nu en breng die mensen hierheen’, zei hij.

Saints, deel 2, 229–230

Heiligen in Salt Lake City zamelen spullen in om de heiligen die naar het westen trekken te helpen.

De vrouwen in de bijeenkomst trokken hun warme sokken uit en stopten ze in de huifkarren. Anderen gaven voedsel, dekens, schoenen en kleding. Twee dagen later vertrokken ruim vijftig mannen en twintig huifkarren uit de vallei om te helpen.

Saints, deel 2, 230

Aaron Jackson en andere heiligen steken de rivier de North Platte over.

Terwijl de familie Jackson doorliep, begon het te sneeuwen. Aaron werd erg ziek. Hij kon haast niet meer lopen. De heiligen moesten een ijskoude rivier oversteken, en dat verzwakte Aaron nog meer. Die nacht stierf Aaron. Zijn familie moest zonder hem verder.

Saints, deel 2, 232–234

De familie Jackson en andere heiligen trekken hun handkarren in de sneeuw.

De volgende ochtend was er nog meer sneeuw gevallen. De familie Jackson en de andere heiligen duwden en trokken hun handkarren door de sneeuw. Ze baden elke dag dat God hen zou helpen.

Leer en Verbonden 136:29; Saints, deel 2, 234–235

Elizabeth Jackson droomt over haar man.

Op een avond maakte Elizabeth zich zorgen over haar kinderen. Ze waren hongerig en hadden het koud. Zouden ze de Salt Lake Valley bereiken? Ze viel in slaap en in haar droom zag ze Aaron. Hij zei: ‘Kop op, Elizabeth.’ Hij zei dat er hulp onderweg was.

Saints, deel 2, 235–236

Mensen komen de heiligen helpen.

Aaron had gelijk. Algauw kwamen de mannen uit Salt Lake City met hun huifkarren aan. Ze gaven de heiligen voedsel en kleding. De heiligen juichten, lachten en omhelsden de mannen. Ze zongen een lofzang en bedankten hun hemelse Vader dat Hij hun gebeden had verhoord.

Leer en Verbonden 136:28; Saints, deel 2, 236

De reizende heiligen komen eindelijk in de Salt Lake Valley aan.

Het was zondag toen ze eindelijk in de vallei aankwamen. Brigham Young zei tegen de leden van de kerk in Salt Lake City dat ze de aangekomen heiligen moesten verwelkomen in plaats van naar de kerk te gaan. Ze begroetten de verkleumde en vermoeide heiligen en nodigden hen uit om bij hen thuis te verblijven.

Saints, deel 2, 239–240