‘Een dag van genezing’, Verhalen uit de Leer en Verbonden (2024)
‘Een dag van genezing’, Verhalen uit de Leer en Verbonden
April–juli 1839
Een dag van genezing
Met de macht van God zieken zegenen
Terwijl Joseph Smith en andere kerkleiders in Missouri in de gevangenis zaten, brachten enkele bewakers hen naar een andere gevangenis. De bewakers waren aardig voor de gevangenen. Op een avond zei de leider van de bewakers tegen Joseph dat hij ging slapen. Als Joseph en zijn vrienden vluchtten, zou hij ze niet tegenhouden.
Saints, deel 1, 392–393
Joseph en de andere kerkleiders vluchtten. Ze vonden hun familieleden in het plaatsje Quincy.
Saints, deel 1, 395–396
De mensen in Quincy waren goed voor de heiligen. Ze gaven de heiligen eten, kleding en onderdak.
Saints, deel 1, 377
Ze waren dankbaar voor de vriendelijkheid van de mensen in Quincy. Maar Joseph wist dat ze een eigen plek nodig hadden. De kerkleiders kochten wat grond die niemand anders wilde hebben, en de heiligen begonnen zich daar te vestigen.
Saints, deel 1, 399–400
Het land lag bij een grote rivier. Het was nat, modderig en er waren veel muggen. Veel heiligen werden erg ziek door de muggen. Ze kregen malaria. Sommige heiligen overleden.
Saints, deel 1, 402
Toen Joseph zag dat zoveel mensen ziek waren, riep hij enkele kerkleiders bij zich en vroeg ze om met hem mee te gaan. Ze gingen de hele ochtend van de ene naar de andere familie om de zieken te zegenen. Ze gebruikten de macht van Jezus Christus om hen van hun ziekte te genezen.
Saints, deel 1, 402
Ze bezochten onder andere Elijah Fordham. Hij was zo ziek dat zijn vrouw dacht dat hij spoedig zou sterven. Joseph vroeg Elijah of hij geloof had om genezen te worden.
Saints, deel 1, 402
Elijah zei: ‘Ik ben bang dat het te laat is.’ Joseph vroeg Elijah of hij in Jezus Christus geloofde. ‘Jazeker, broeder Joseph’, antwoordde hij.
Saints, deel 1, 402
Joseph zegende hem in de naam van Jezus Christus. Elijah stond op. Jezus had hem genezen! Elijah volgde Joseph naar het volgende huis en hielp hem om andere zieken te zegenen.
Saints, deel 1, 402–403