‘De bouw van de Kirtlandtempel’, Verhalen uit de Leer en Verbonden (2024)
‘De bouw van de Kirtlandtempel’, Verhalen uit de Leer en Verbonden
December 1832–maart 1836
De bouw van de Kirtlandtempel
Een bijzonder huis voor de Heer
De Heer zei tegen Joseph Smith dat het tijd was dat de heiligen een bijzonder huis in Kirtland gingen bouwen. Het zou een tempel zijn, een bijzondere plek waar de Heer zijn volk zou bezoeken en ze beloften zou doen. Hij zou ze in zijn tempel een bijzondere gave geven. Hij noemde die gave een begiftiging van macht.
Leer en Verbonden 88:119; 95:8; Saints, deel 1, 205
De heiligen begonnen niet meteen met de bouw van de tempel. Een paar maanden later herinnerde de Heer hen eraan dat de tempel erg belangrijk was. Hyrum Smith rende naar het huis van zijn ouders om gereedschap te halen. Toen zijn moeder vroeg waar hij naartoe ging, zei hij dat hij als eerste aan het huis van de Heer wilde werken.
De heiligen in Kirtland begonnen met de bouw van de tempel. Het kostte veel geld en veel werk. Kerkleden, zoals Sidney Rigdon, gaven veel geld om de tempel te bouwen. Ze waren enthousiast om de geboden van de Heer te gehoorzamen en zijn zegeningen in zijn huis te ontvangen.
Saints, deel 1, 209–211
Terwijl de heiligen aan de tempel werkten, raakte het geld op. Sidney en andere kerkleiders maakten zich zorgen. Sidney vroeg God om hulp.
Saints, deel 1, 210–211
Caroline Tippets, een lid van de kerk, en haar gezin hadden veel geld gespaard. Caroline leende de kerk geld voor de bouw van de tempel.
Saints, deel 1, 211–213
Veel heiligen in Kirtland werkten hard om de tempel te bouwen. Sommigen reden met karren vol stenen naar de tempel. Anderen maakten kleding en eten voor de arbeiders. Kinderen verzamelden stukjes gebroken glas om ze te vermalen en op de muren van de tempel te plakken zodat ze in het zonlicht zouden schitteren en glimmen.
Saints, deel 1, 210, 219, 221
Al snel was de tempel klaar! De heiligen waren blij dat ze naar het huis van de Heer konden gaan om de zegeningen te ontvangen die Hij had beloofd.
Saints, deel 1, 221