Liahona
Maria Magdalena: liefde en vragen
Liahona februari 2026


‘Maria Magdalena: liefde en vragen’, Liahona, februari 2026.

Zij kenden de Heiland

Maria Magdalena: liefde en vragen

Als eerste bekende getuige van de herrezen Christus toont Maria ons een patroon van liefdevol discipelschap.

illustratie van Maria Magdalena

Illustratie, Laura Serra

Wat ging er allemaal door Maria Magdalena heen toen ze vroeg op de ochtend van de derde dag na zijn dood naar het graf van de Heiland ging? Wat wist ze en wat begreep ze nog niet?

We kunnen het niet zeker weten. Maar er zijn aanwijzingen in het eenvoudige, ontroerende verslag van haar ervaring in Johannes 20. En wat we leren van Maria – deze trouwe discipel van Christus – kan ons helpen om zelf een discipel te zijn.

‘Toen het nog donker was’

Een van de eerste dingen die in dit verhaal opvallen, is dat Maria ‘vroeg’, voor zonsopgang, naar het graf ging (zie Johannes 20:1). Johannes zegt niet waarom Maria daar was. Uit de verslagen van Markus en Lukas blijkt dat Maria en enkele andere vrouwen het lichaam van Jezus wilden zalven, maar dat ze moesten wachten tot na de sabbat (zie Markus 16:1; Lukas 23:55–56; 24:1). In Mattheüs staat dat ze erheen gingen ‘om naar het graf te kijken’ (Mattheüs 28:1).

Wat de reden ook was, het lijkt erop dat Maria en haar metgezellen er zo snel mogelijk wilden zijn. Het moet pijnlijk zijn geweest dat ze haar geliefde Heer enkele dagen eerder aan het kruis had zien lijden en sterven. De toekomst leek waarschijnlijk onzeker, duister en beangstigend. Maar Maria bleef niet in het duister. Ze wist dat Jezus haar bron van licht was – Hij had haar al eerder uit de duisternis gered (zie Lukas 8:2) – dus ging ze naar het enige aardse dat ze nog van Hem had: zijn graf. En ze wachtte, figuurlijk gesproken, niet tot de duisternis was verdwenen en er licht op haar pad scheen. Ze zette stappen van geloof in de duisternis.

‘Wij weten niet’

Aanvankelijk kreeg Maria geen volmaakt begrip door naar het graf te gaan. Sterker nog, wat ze daar zag, riep juist meer vragen op, meer verwarring. Hoe was de steen weggenomen? Waarom lag het lichaam van Jezus niet in het graf? Waar was Hij?

Voor ons zijn de antwoorden nu duidelijk en heerlijk. Maar voor Maria waren ze dat niet – nog niet. In een poging om te begrijpen wat ze zag, concludeerde Maria: ‘Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben’ (Johannes 20:2). Vervolgens rende ze naar Petrus en Johannes om hun over de diefstal te vertellen.

Met die verontrustende gedachte in haar achterhoofd keerde Maria terug naar het graf. Daar zag ze twee engelen zitten op de plek waar Jezus had gelegen – een duidelijk bewijs dat er iets hemels gaande was. Toch bleef Maria haar onjuiste veronderstelling uiten dat het lichaam van Jezus gestolen was (zie Johannes 20:11–13).

‘Maar Maria stond […] bij het graf’

Maar het is indrukwekkend dat Maria niet bij het graf wegging. Zelfs in haar verwarring en met al haar onbeantwoorde vragen bleef ze daar – huilend, kijkend en vragend (zie Johannes 20:10–11). Ze bleef, niet omdat ze alles begreep, maar omdat ze haar Heer liefhad. Ondanks haar onzekerheid bleef Maria de Heiland liefhebben. Het was liefde, niet kennis, die haar naar het graf bracht, en liefde hield haar daar.

En omdat ze bleef, was ze op het juiste moment op de juiste plek om de antwoorden te ontvangen die ze nodig had toen die eindelijk kwamen.

‘Maria’

Het begrip kwam geleidelijk. Maria zag de herrezen Heiland in de hof staan; zij sprak Hem aan, en Hij sprak met haar. Maar ze herkende Hem eerst niet. Pas toen Jezus Maria’s naam zei, besefte ze wie Hij was (zie Johannes 20:14–16). Hoe kwam dat? Waarom was het feit dat de Heiland Maria bij naam noemde een krachtiger getuigenis voor haar dan wat ze met haar ogen zag en met haar oren hoorde? Maria wist hoe Jezus eruitzag. Ze wist hoe zijn stem klonk. Maar haar band met de Heiland ging veel dieper dan dat. Ze kende Hem. Ze had in de loop der jaren een persoonlijke band met Hem opgebouwd: ze was Hem gevolgd, had Hem gehoord, en was door zijn macht genezen. Daarom herkende ze Hem uiteindelijk.

Misschien moeten we allemaal meer zoals Maria zijn. We moeten allemaal de moed hebben om stappen te zetten in geloof als het ‘nog donker’ is. Als we verontrustende dingen meemaken, als vragen alleen maar tot meer vragen leiden, als we door onze aardse veronderstellingen geestelijk verblind worden, kunnen we net als Maria vasthouden aan onze liefde voor Jezus Christus. We kunnen een band met Hem opbouwen die zo sterk is dat we nog meer op Hem vertrouwen dan op onze lichamelijke zintuigen. Misschien kunnen we door onze liefde voor de Heiland dan toch dicht bij Hem blijven – totdat de zon eindelijk opkomt en onze ogen, net als die van Maria, geopend worden.

Noot

  1. Andere verhalen waarin Maria en andere vrouwen de herrezen Heiland zien, staan in Mattheüs 28:1–10; Markus 16:1–11; en Lukas 24:1–11.