De Leer en Verbonden op jezelf toepassen
Wat kan ik doen als een evangelievraag me ‘dwarszit’?
Als we geduldig zijn met wat we nog niet begrijpen, kan de Geest ons hart veranderen.
Hoe slim je ook bent, je zult onvermijdelijk dingen tegenkomen die je gewoon niet begrijpt.
Een lastige rekensom. Een moeilijke literaire passage. Waarom je auto dat rare geluid maakt. Vul de lijst maar aan.
Soms kom je er met een beetje moeite wel uit. Maar soms lijkt het dat hoe meer je je erin verdiept, hoe minder je het begrijpt. Het gaat je dan echt dwarszitten.
Is dat jou ooit overkomen met het evangelie? Misschien heb je moeite met een leerstelling, begrijp je een beleidsregel niet, of is er iets in je eigen leven dat niet in overeenstemming lijkt te zijn met wat je weet over God en zijn plan. Soms lijkt een idee te moeilijk om te begrijpen of te accepteren. Als een te grote hap om door te slikken.
Dat is precies wat sommige kerkleden ondervonden toen ze de openbaring in Leer en Verbonden 76 over de graden van heerlijkheid ontvingen. De meesten van hen waren opgegroeid met een zwart-wit beeld van hemel en hel. De gedachte dat bijna iedereen zal opstaan in een koninkrijk van heerlijkheid leek niet eerlijk. Het kwam niet overeen met hun idee van de aard van God. Zelfs Brigham Young worstelde met de openbaring omdat die ‘niet overeenkwam met wat [hij] voorheen geleerd had’ en ‘tegen [zijn] eigen gevoelens indruiste’.
De tweesprong van een vraag
Als een evangelievraag ons ‘dwarszit’, komen we op een tweesprong in ons geloof.
Voor sommige heiligen was de openbaring een breekpunt. Net als de discipelen van de Heiland die zeiden: ‘Dit woord is hard’, ‘trokken [zij] zich terug en gingen niet meer met Hem mee’ (Johannes 6:60, 66).
Maar anderen die aanvankelijk wankelden, aanvaardden deze nieuwe kennis uiteindelijk met vreugde. Wat was de beslissende factor? Waarom brak deze openbaring het geloof van sommigen, maar versterkte het dat van anderen?
Het komt allemaal neer op hoe ze kozen te reageren toen hun geestelijk begrip op de proef werd gesteld. Toen hij voor het eerst over de openbaring hoorde, zei Brigham Young: ‘Wacht eens even. Ik verwierp het niet, maar ik kon het niet begrijpen.’ Doordat hij bad, studeerde en geduldig was met wat hij nog niet begreep, kon de Geest zijn hart veranderen en van de waarheid getuigen.
In het Boek van Mormon vergelijkt Alma het woord van God met een zaadje. Als we dat zaadje in ons hart ontvangen, kunnen we het ‘uitwerp[en] door [ons] ongeloof’, of net als Brigham Young even wachten, en kijken of ‘het een deugdelijk zaadje is, of een goed zaadje’ (Alma 32:28). Alma belooft dat als we ons geloof oefenen en wachten, het zaadje in ons zal groeien en onze ‘ziel [zal] verruimen’, ons ‘verstand [zal] verlichten’ en ‘heerlijk’ voor ons zal zijn.
Veel getrouwe heiligen ondervonden dit ook, omdat ze besloten de Heer om leiding te vragen. Brigham Young beschreef hoe hij het na veel overpeinzing en gebed uiteindelijk ‘volledig voor [zich]zelf wist en begreep’. Moroni geeft hiervan een perfect voorbeeld in Ether 12:6, waarin hij na de beproeving van zijn geloof een getuigenis ontving.
‘Bid, en u zal gegeven worden’
De Heer zei: ‘Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden’ (Mattheüs 7:7). Dit is niet alleen een wijs voorstel; het is een gebod van de Heer, en het gaat gepaard met de zekere belofte dat Hij zal antwoorden.
Deze en soortgelijke geboden worden overal in de Schriften herhaald. De Heer vraagt ons voortdurend om onze moeilijkste vragen aan Hem voor te leggen. Hij vraagt ons niet blindelings te aanvaarden wat we niet kunnen begrijpen. Als we dit geduldig en gelovig doen en de Heer blijven dienen, belooft Hij ‘alle verborgenheden [te] openbaren, […] zelfs de wonderen van de eeuwigheid’ (Leer en Verbonden 76:7–8).
Zelf heb ik grote vragen waar ik nog steeds geen antwoord op heb, zelfs niet na jaren van bidden en oprecht zoeken. Maar ik denk niet dat dat betekent dat God mijn kloppen negeert. Ik kan zijn licht door een kier in de deur zien. Ik kan voelen dat Hij bij me is en dat Hij de last deelt als die te zwaar is om alleen te dragen.
Als ik blijf vragen, zoeken en kloppen, voel ik dat zaadje in mijn hart opzwellen. Mijn vragen vergen veel van me, en doen soms pijn, maar ze bieden me meer gelegenheden om te groeien – in begrip, in wijsheid, in geloof, in een nauwere band met mijn Vader in de hemel. Ik heb niet alle antwoorden, maar mijn vragen zitten me niet dwars. Ik voel hoop in ‘het welbehagen van [de] wil’ van de Heer, en ik vertrouw erop dat Hij mij, als ik er klaar voor ben, ‘dat voorrecht schenkt om voor [me]zelf te zien en te weten’ (Leer en Verbonden 76:7, 117).