Hoofdstuk 52
De beproevingen van Jezus
De leiders van de joden stuurden mannen met zwaarden en stokken naar de hof van Getsemane.
Matteüs 26:47
Judas Iskariot was bij hen. De overpriesters hadden Judas betaald om de mannen te laten zien waar Jezus was.
Matteüs 26:14–16, 47
Judas liet de mannen zien wie Jezus was door Hem een kus te geven. De mannen namen Jezus mee. Ze lachten Hem uit en sloegen Hem. Toen namen ze Jezus mee naar de hogepriester, Kajafas.
Matteüs 26:48–49, 57; Lucas 22:54, 63–65
De joodse leiders stelden Jezus vragen. Ze zeiden dat Hij de wet had overtreden door te zeggen dat Hij de Zoon van God was. Jezus vertelde ze dat Hij de Zoon van God was. Ze zeiden dat Jezus schuldig was en moest sterven.
Lucas 22:66–71
De joodse leiders hadden geen bevoegdheid om Jezus te doden. Daarom brachten ze Hem naar Pilatus, die Jezus de doodstraf kon geven. De joodse leiders vertelden Pilatus dat Jezus de mensen had geleerd om de Romeinse wet te overtreden.
Lucas 23:1–2
Pilatus vond dat Jezus niets verkeerd had gedaan. Hij wilde Jezus laten gaan. De menigte wilde dat Jezus werd gekruisigd.
Lucas 23:14–21
Pilatus wilde Jezus toch laten gaan. Maar de priesters en de mensen bleven roepen dat ze wilden dat Jezus gekruisigd werd.
Lucas 23:22–23
Pilatus waste zijn handen. Hij zei dat hij niet verantwoordelijk voor de dood van Jezus was. De mensen zeiden dat zij verantwoordelijk voor zijn dood zouden zijn. Pilatus gaf zijn soldaten de opdracht om Jezus te kruisigen.
Matteüs 27:24–26