Hoofdstuk 48
De talenten
Jezus vertelde zijn discipelen een verhaal over een man die zijn dienstknechten enkele talenten gaf. Een talent was veel geld.
Matteüs 25:14–15
De man gaf de ene dienstknecht vijf talenten. Een andere dienstknecht gaf hij twee talenten. En een derde dienstknecht gaf hij één talent. Toen ging de man op reis.
Matteüs 25:15
De dienstknecht met vijf talenten werkte hard. Hij had er vijf talenten bijverdiend. Hij had nu tien talenten.
Matteüs 25:16
De dienstknecht met twee talenten werkte ook hard. Hij verdiende er twee talenten bij. Hij had nu vier talenten.
Matteüs 25:17
Maar de dienstknecht met één talent begroef het in de grond. Hij was bang dat hij het kwijt zou raken. Hij werkte niet om er talenten bij te verdienen.
Matteüs 25:18
Toen de man thuiskwam, vroeg hij de dienstknechten wat ze met hun talenten hadden gedaan.
Matteüs 25:19
De eerste dienstknecht bracht hem tien talenten. De man was blij. Hij stelde de dienstknecht aan als leider over veel zaken en zei dat hij blij moest zijn.
Matteüs 25:20–21
De tweede dienstknecht bracht hem vier talenten. Dat maakte hem ook blij. Hij stelde deze dienstknecht ook aan als leider over veel zaken en zei dat hij blij moest zijn.
Matteüs 25:22–23
De derde dienstknecht gaf de man het talent terug dat hij begraven had. De man was niet blij. Hij zei dat de dienstknecht lui was geweest. Hij had hard moeten werken om meer talenten te verdienen.
Matteüs 25:24–27
De man nam het talent van de derde dienstknecht af en gaf het aan de eerste dienstknecht. Toen stuurde hij de luie dienstknecht weg. De man in het verhaal is Jezus. Wij zijn de dienstknechten. Jezus zal oordelen hoe we de gaven hebben gebruikt die we hebben gekregen.
Matteüs 25:28–30