Hoofdstuk 49
Het eerste avondmaal
Ieder jaar vierden de joden het Pascha. De joden worden er dan aan herinnerd dat God in de tijd van Mozes hun voorouders had verlost.
Exodus 12:27; Lucas 22:7
Jezus en de twaalf apostelen hadden een plek nodig waar zij het Pascha konden vieren. De Heiland stuurde Petrus en Johannes op pad om een kamer te vinden en alles voor het feest klaar te zetten.
Lucas 22:8
Ze vonden een bovenzaal en maakten het Pascha klaar.
Lucas 22:9–13
Jezus en alle apostelen waren daar. Ze vierden samen het Pascha.
Lucas 22:14
Jezus gaf zijn apostelen voor het eerst het avondmaal. Hij nam een stuk brood, zegende het en brak het in stukken. Hij zei dat zijn apostelen het brood moesten eten.
Matteüs 26:26; Lucas 22:19
Jezus zei dat ze aan zijn lichaam moesten denken als ze van het brood aten. Hij vroeg ze om te gedenken dat Hij voor hen zou sterven.
Matteüs 26:26; Lucas 22:19
Jezus schonk wijn in een beker. Hij zegende de wijn en liet zijn apostelen ervan drinken.
Matteüs 26:27
Jezus zei dat ze aan zijn bloed moesten denken als ze van de wijn dronken. Hij vroeg ze om te gedenken dat Hij voor de zonden van alle mensen zou bloeden en lijden.
Matteüs 26:28; Lucas 22:20
Jezus vertelde zijn apostelen ook dat slechte mensen Hem heel binnenkort zouden doden. Elf apostelen waren erg verdrietig. Zij hielden van de Heiland en wilden niet dat Hij zou sterven. Jezus wist dat een van de apostelen de slechte mensen zou helpen. Zijn naam was Judas Iskariot.
Matteüs 26:2, 14–16, 21–25