Hoofdstuk 42
De rijke jongeling
Op een dag kwam een rijke jongeman bij Jezus en vroeg Hem wat hij moest doen om in de hemel te komen.
Marcus 10:17
De Heiland zei dat hij zijn vader en moeder moest liefhebben en eren, en niet mocht doden, liegen of stelen. De rijke jongeman zei dat hij altijd de geboden had onderhouden.
Marcus 10:19–20
Jezus zei de jongeman dat hij nog iets moest doen. Hij moest alles wat hij had verkopen en het geld aan de armen geven. Daarna moest de jongeman Hem volgen.
Marcus 10:21
De rijke jongeman wilde niet alles wat hij had weggeven. Hij hield meer van zijn bezittingen dan van God. De jongeman ging verdrietig weg.
Marcus 10:22
De Heiland zei tegen zijn discipelen dat het voor iemand die van rijkdom houdt moeilijk is om naar de hemel te gaan. De discipelen begrepen het niet. Ze vroegen wie bij God kon terugkeren. Jezus zei dat mensen die God vertrouwen en Hem meer dan alles liefhebben bij Hem in de hemel kunnen wonen.
Marcus 10:23–30