Hoofdstuk 44
De Heiland gaat naar Jeruzalem
Enkele mensen vertelden de priesters en Farizeeërs dat Jezus Lazarus tot leven had gebracht. De Farizeeërs dachten dat iedereen in Jezus zou gaan geloven. Ze waren bang dat niemand meer naar hen zou luisteren.
Johannes 11:46–48
De Farizeeërs beraamden een plan om Jezus te doden. Ze wachtten tot Hij naar Jeruzalem zou komen voor het Pascha.
Johannes 11:49–51, 55–57
Jezus ging naar Jeruzalem. Veel mensen hoorden dat Hij onderweg was en gingen Hem tegemoet. Jezus reed op een jonge ezel de stad in. Een profeet had geschreven dat de Zoon van God dat zou doen. Veel mensen geloofden dat Jezus de Zoon van God was. Zij legden palmtakken en kledingstukken op de weg zodat Hij erover zou rijden. Ze riepen hosanna en zeiden dat Jezus hun koning was.
Zacharia 9:9; Matteüs 21:4–9; Johannes 12:1, 12–15
De mensen in Jeruzalem kwamen kijken wat er aan de hand was. Ze vroegen wie Jezus was. De mensen in de menigte zeiden dat Hij een profeet uit Nazaret was.
Matteüs 21:10–11
De Farizeeërs waren boos. Ze wilden niet dat de mensen geloofden dat Jezus de Heiland was. Jezus wist dat de Farizeeërs Hem wilden doden.
Johannes 11:53; 12:19, 23
Jezus vertelde zijn discipelen dat Hij spoedig zou sterven. Hij zou voor de zonden van alle mensen lijden en aan het kruis sterven. Hij was de Heiland van de wereld. Daarom was Hij naar de aarde gekomen.
Johannes 12:23–25, 27, 32–33, 47