Evangeliecursussen
Vaardigheidsoefening 6: Met iedereen praten


Vaardigheidsoefening 6

Met iedereen praten

zusters onderwijzen op straat

Als jongeren met mensen praten die ze niet kennen, voelen ze zich daarbij vaak ongemakkelijk of nerveus. Met deze activiteit gaan de cursisten gesprekken oefenen met mensen die ze net hebben ontmoet.

Gespreksleider: Probeer ‘Definitie’ en ‘Demonstratie’ beknopt te houden, zodat de cursisten voldoende tijd hebben om te oefenen.

Definitie

Gespreksleider: Leg uit dat zendingswerk ook inhoudt dat je elke dag praat met mensen die je niet kent.

  • Wat heb je onlangs meegemaakt toen je iemand voor het eerst sprak? Hoe is het gegaan?

Gespreksleider: Lees eventueel samen ‘Praat met iedereen’ (Predik mijn evangelie [2023], 168–169) voordat u de specifieke richtlijnen bespreekt waarop deze vaardigheidsoefening zich gaat richten. Vraag de cursisten welke suggesties ze erg nuttig vinden.

Leg uit dat deze vaardigheidsoefening zich richt op drie richtlijnen, samengevat uit Predik mijn evangelie (zie pagina 168–169) en Wennen aan het zendingsleven (zie pagina 35–36). Toon deze richtlijnen en vraag enkele cursisten ze beurtelings voor te lezen.

  • Bedenk een eenvoudige manier om een gesprek aan te knopen. Wees hartelijk, oprecht en vriendelijk. Groet mensen, geef ze een complimentje, bied je hulp aan met iets of stel een vraag (zie de volgende voorbeelden).

  • Stel vragen. Vraag mensen naar dingen die ze interessant of belangrijk vinden. Denk bijvoorbeeld aan hun werk, hobby’s, interesses, familie, of waar ze naar de kerk of school gaan. Wees bereid om ook hun vragen over jou te beantwoorden.

  • Luister oprecht. Concentreer je meer op wat de ander zegt dan op wat jij gaat zeggen. Houd tijdens het gesprek oogcontact. Laat zien dat je geïnteresseerd bent in de persoon met wie je praat en in wat hij of zij zegt. Vraag eventueel door om meer te weten te komen.

Demonstratie

Gespreksleider: Demonstreer deze vaardigheden voor de klas door een bereidwillige cursist naar voren te laten komen. Voer een gesprek volgens de bovengenoemde richtlijnen. Vraag daarna de klas in hoeverre zij de gevolgde richtlijnen hebben waargenomen.

U kunt deze vaardigheid ook demonstreren door de video ‘Talking with Everyone’ te vertonen (ChurchofJesusChrist.org; bekijk vanaf tijdcode 4:00 tot 6:08).

Oefening

Gespreksleider: Laat elke cursist met een medecursist samenwerken. Geef daarna de volgende instructies. Als er voldoende tijd is, geeft u de cursisten de gelegenheid om deze oefening met enkele anderen in de klas te herhalen.

Begin om de beurt een gesprek met je medecursist aan de hand van de drie richtlijnen die we hebben besproken:

  1. Bedenk een eenvoudige manier om een gesprek aan te knopen.

  2. Stel vragen.

  3. Luister oprecht.

Toepassing

Gespreksleider: Geef de volgende opdracht. Kom er eventueel in een volgende les op terug.

Let de komende week op gelegenheden om een gesprek aan te knopen met iemand die je nog nooit hebt ontmoet of die je niet goed kent. Oefen tijdens je gesprek de vaardigheden die je vandaag hebt geleerd.