‘De verzoening van Jezus Christus, Gods barmhartigheid, en jij’, Liahona, oktober 2025.
De verzoening van Jezus Christus, Gods barmhartigheid, en jij
Jezus Christus is onze Vriend, onze Gids, onze grote Heelmeester, onze Raadsman en bovenal onze Heiland, Verlosser en Voorspraak bij de Vader.
De kruisiging, Harry Anderson
Lijkt Jezus Christus ooit te ver weg, te ontoegankelijk en te onpersoonlijk om ooit van een afbeelding aan de muur, een standbeeld of een naam in de Schriften in jouw persoonlijke, praktische en dagelijkse Verlosser te veranderen?
Laten we eens kijken of we deze onnodige kloof kunnen overbruggen door te evalueren wat we weten, wat we uit de Schriften en profetische uitspraken over onze associatie met de voorsterfelijke Christus kunnen concluderen, en hoe we die kennis nu in onze relatie met Hem kunnen toepassen.
Wat we weten
-
We weten ‘dat het gezin centraal staat in het plan van de Schepper voor de eeuwige bestemming van zijn kinderen’ en dat we ‘in het voorsterfelijk leven […] geestzonen en -dochters’ van God waren.
-
We weten dat we ‘tot de edelen en groten behoorden’ (Leer en Verbonden 138:55; zie ook Abraham 3:22) en dat we onze ‘eerste lessen in de geestenwereld’ ontvingen (Leer en Verbonden 138:56).
-
We weten wat president Russell M. Nelson heeft gezegd: ‘Onze hemelse Vader heeft veel van zijn edelste geesten – of zal ik zeggen: zijn sterkste team – voor deze slotfase bewaard. Die edele geesten – die beste spelers, die helden – zijn jullie!’
-
We weten, zoals ouderling Neil L. Andersen van het Quorum der Twaalf Apostelen heeft gezegd: ‘Onze persoonlijke identiteit is eeuwig. Op manieren die we niet helemaal begrijpen, beïnvloedt onze geestelijke groei in het voorsterfelijk bestaan wie we hier zijn.’
-
We weten dat we de tegenwoordigheid van onze hemelse Ouders moesten verlaten om meer op Hen te gaan lijken. Het verlossingsplan werd gepresenteerd en werd door sommigen aanvaard, maar door anderen verworpen. Jezus Christus trad naar voren en zei: ‘Vader, uw wil geschiede en de heerlijkheid zij de uwe voor eeuwig’ (Mozes 4:2).
-
We weten dat er als gevolg daarvan oorlog in de hemel uitbrak waarin ‘Michaël [de voorsterfelijke Adam] en zijn engelen [oorlog voerden] tegen de draak [Satan] en zijn engelen’ (Openbaring 12:7). En we hebben ‘hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van [ons] getuigenis’ (Openbaring 12:11).
-
We weten dat wij, die tot de moedigste, betrouwbaarste kinderen van onze hemelse Vader behoren, ‘de tegenstander de rug hebben toegekeerd en ons bij de strijdkrachten van God hebben aangesloten, en dat die strijdkrachten gezegevierd hebben’.
-
We weten dat onze kleine blauwe planeet in het melkwegstelsel een zeer moeilijke plek is omdat, zoals de Heer tegen Henoch heeft gezegd, er ‘onder al het maaksel van mijn handen niet zulk een grote goddeloosheid is geweest als onder uw broeders’ (Mozes 7:36).
-
We weten dat om tegenstelling in alle dingen mogelijk te maken, het grootste goed en het grootste licht in het heelal ook naar deze aarde werd gezonden in de vorm van Jezus Christus en allen die Hem volgden – wij allemaal.
-
We weten dat we als enkele van de edelste en trouwste geestkinderen van onze hemelse Vader uitverkoren zijn om in deze laatste dagen met Jezus Christus naar deze aarde te komen.
Helende handen, Adam Abram
We zijn vrienden van de Heiland
Ik stel me graag voor wat de vreugdevolle verwachting van de Heiland moet zijn geweest dat wij, zijn vertrouwde voorsterfelijke discipelen en vrienden, hier op aarde trouw aan zijn zaak zouden blijven. Het verbaast ons dan ook niet dat Christus later tot zijn discipelen zou getuigen: ‘U bent het die de Vader Mij heeft gegeven; u bent mijn vrienden’ (Leer en Verbonden 84:63). Die uiting van genegenheid geldt volgens mij natuurlijk voor ons allemaal.
Daarop volgde de belofte dat wij, dankzij onze voorsterfelijke trouw en gehoorzaamheid, op een dag de mogelijkheid zouden hebben om via het geslacht van vader Abraham lid van het huis van Israël te worden, vanwege onze geestelijke instelling om Gods stem te horen en ernaar te luisteren, en door heilige verbonden met God te sluiten (zie Leer en Verbonden 29:7). Als lid van het huis van Israël zouden we recht hebben op verbondszegeningen en -verantwoordelijkheden, zoals de belofte van Christus aan de Nephieten: ‘De Vader heeft Mij eerst voor u doen opstaan […] omdat u kinderen van het verbond bent’ (3 Nephi 20:26).
Jij en ik zijn gekenmerkt, ja, geoormerkt, vanwege onze voorsterfelijke trouw en gehoorzaamheid. Nadat we al pal achter onze Heiland hebben gestaan, onder meer tijdens de oorlog in de hemel, worden we nu geroepen om opnieuw dienst te nemen in deze laatste strijd, waarbij de oorlog in de hemel als het ware aan deze kant van de sluier wordt voortgezet langs dezelfde gevechtslinies tussen goed en kwaad, licht en duisternis, waarheid en leugen.
Ik hoop dat je aanvoelt dat Jezus Christus toen en nu onze Vriend, Gids, grote Heelmeester, Raadsman en bovenal onze Heiland, Verlosser en Voorspraak bij de Vader was en is. Je vindt jezelf misschien ten onrechte te zwak en te gebroken om zijn liefde te verdienen.
Zelfs ‘al [kun je] niet meer doen dan verlangen te geloven’ dat Hij om jou persoonlijk geeft, ‘laat dat verlangen dan in [je] werken’ (Alma 32:27) en geef Christus het voordeel van de twijfel – of beter gezegd, het voordeel van je ‘geloof tot bekering’ (Alma 34:15–17), het voordeel van je beste inspanning.
Als je in het voorsterfelijk leven echt dicht bij Hem was (en ik geloof dat je dat was), als Hij werkelijk voor jou heeft geleden en is gestorven (en dat heeft Hij gedaan), als zijn zoenoffer specifiek voor jou bedoeld is (en dat is het ook), als de vergeving van zonden en stapsgewijze groei de reden is waarom je hier bent (en dat is zo), begrijp je misschien waarom de toorn van de Vader is ontstoken tegen hen die ‘uw barmhartigheden, die [Hij] hun wegens [zijn] Zoon [heeft] betoond, niet willen begrijpen’ (Alma 33:16).
God is graag barmhartig
Voortdurende bekering is bedoeld als een vreugdevolle ervaring omdat we toegang krijgen tot de verzoening van de Heiland en daarmee tot de vergeving van zonden. De tegenstander wil ons echter doen geloven dat bekering een hopeloze, zelfvernederende oefening is – niets meer dan een voortdurende herinnering aan onze eindeloze onvolmaaktheden.
Bedenk alsjeblieft dat de verzoening, het vrijwillige offer van de Heiland, ons niet alleen tegen onze zonden beschermt maar ook tegen onze zwakheden. Vertrouw erop dat de Heiland uitstekend onderscheid kan maken tussen onze zwakheden en onze opzettelijke zonden. Een van zijn dienstknechten, president Jeffrey R. Holland, waarnemend president van het Quorum der Twaalf Apostelen, heeft gezegd: ‘Wat God het mooist vindt aan God zijn, is de sensatie van barmhartig zijn, in het bijzonder aan wie het niet verwachten en vaak het gevoel hebben dat ze het niet verdienen.’
Beste vrienden, ‘na verloop van tijd’ (Mozes 7:21) en ‘regel op regel’, ‘voorschrift op voorschrift’ (2 Nephi 28:30), als we nederig naar vergeving van zonden streven door ons elke dag oprecht en snel te bekeren en te heiligen, moet en zal de gewoonte om ‘God te laten zegevieren’ en ‘celestiaal te denken’ een weerspiegeling worden van onze aard, ons karakter en ons wezen; in ons hart, onze ziel en met onze macht en ons verstand (zie Lukas 10:27); in onze gedachten, woorden en daden.
De grote Heelmeester
Broeders en zusters, ik getuig dat de Heiland echt bestaat en dat Hij werkelijk het zoenoffer heeft gebracht. Ik getuig dat Hij in zijn ziekenhuis de grote Heelmeester, Hoofdchirurg en Genezer is. Ik getuig dat Hij gespecialiseerd is in het genezen van de zwaksten onder de zwakken, en in het helpen van hen die dat het minst verwachten. Ik getuig dat Hij alle ziekenhuis- en poliklinische kosten in Gethsémané en aan het kruis heeft betaald. Ik getuig dat je daar welkom bent voor routinematige geestelijke controles en voor levensreddende noodoperaties. Hij is dag en nacht open, en er is altijd een kamer en een bed voor je.
Het enige eigen risico is jouw liefde voor Hem, je eerlijke bedoeling, je moedige discipelschap en je bereidheid om je verbonden na te komen – kortom, je gebroken hart en verslagen geest (zie 2 Nephi 2:7; 4:32).
Christus in Gethsémané, Heinrich Hofmann
Met de woorden van president Russell M. Nelson:
‘Er zijn geen grenzen aan het vermogen van de Heiland om u te helpen. Zijn onbevattelijke lijden in Gethsémané en op Golgotha was voor u! Zijn oneindige verzoening is voor u!
Ik spoor u aan om elke week, voor de rest van uw leven, tijd te besteden aan het vergroten van uw begrip van de verzoening van Jezus Christus.’
Tot slot: ‘En God geve […] dat [je] tot bekering en goede werken [zult] worden gebracht, opdat [je zult] worden hersteld tot genade voor genade, naar [je] werken’ (Helaman 12:24), zodat je ‘te dien dage met een zuiver hart en reine handen naar God [kunt] opblikken […], met het beeld van God gegrift in [je] gelaat’ (Alma 5:19).