‘Onze goddelijke identiteit en ons doel: Ik ben een kind van God’, Oude Testament – boek voor de seminarieleerkracht (2026)
‘Onze goddelijke identiteit en ons doel: Ik ben een kind van God’, Oude Testament – boek voor de seminarieleerkracht
Voor de kracht van de jeugd: Keuzes maken: les 173
Onze goddelijke identiteit en doel
Ik ben een kind van God
Jongevrouwen van de kerk zeggen over de hele wereld: ‘Ik ben een geliefde dochter van hemelse Ouders, met een goddelijke aard en een eeuwige bestemming’ (Jongevrouwenthema). Jongemannen zeggen: ‘Ik ben een geliefde zoon van God, en Hij heeft een werk voor mij te doen’ (‘Thema Aäronische-priesterschapsquorum’). In deze les krijgen de cursisten de gelegenheid om over hun goddelijke identiteit en doel na te denken.
Voorbereiding van de cursist: Laat de cursisten nadenken over de eerste regel uit het ‘Jongevrouwenthema’ of het ‘Thema Aäronische-priesterschapsquorums’. Ze kunnen die uit het hoofd proberen te leren of die gedurende de dag meerdere keren opzeggen. Vraag de cursisten hoe dit van invloed op hun houding of gedrag is geweest.
Mogelijke leeractiviteiten
Ik ben een kind van God!
Deze seminariecursus begint met meerdere lessen uit het Oude Testament over onze goddelijke identiteit en ons doel. Zie bijvoorbeeld les 3: ‘Abraham 3’, les 4: ‘Mozes 1:1–11’, les 5: ‘Mozes 1:12–26’ en les 8: ‘Genesis 1:26–27’. In deze les worden de waarheden over onze goddelijke identiteit uit andere lessen over het Oude Testament herhaald. De cursisten blikken terug als ze deze lessen al hebben gehad, of kijken vooruit op latere seminarielessen.
Laat de cursisten aan het begin van de les een spiegel zien. Vraag ze de volgende vragen met een medecursist te bespreken:
-
Hoe vaak kijk je op een dag in de spiegel?
-
Waar denk je meestal aan als je naar je spiegelbeeld kijkt?
Geef iedere cursist eventueel een kopie van het volgende citaat:
Ouderling Gary E. Stevenson van het Quorum der Twaalf Apostelen heeft de jeugd gevraagd het volgende te doen:
Velen van jullie staan ’s ochtends voor de spiegel. Sta morgen, deze week, dit jaar, altijd, eens stil en kijk in de spiegel naar jezelf. Denk, of zeg eventueel hardop: ‘Wauw, kijk mij eens! Ik ben geweldig! Ik ben een kind van God! Hij kent mij! Hij houdt van mij!’ (‘Ingevingen van de Geest’, Liahona, november 2023, 45.)
Zet de uitnodiging van ouderling Stevenson kracht bij door de cursisten te laten opstaan en samen zijn woorden op te zeggen, te beginnen met ‘Wauw, kijk mij eens!’
Geef de cursisten even de tijd om over het volgende na te denken:
-
Heb je het gevoel dat de uitspraak van ouderling Stevenson ook op jou van toepassing is? Waarom wel of waarom niet?
Bedenk bij je studie van de Schriftteksten in deze les hoe ze op jou van toepassing zijn. Als je dat doet, kan de Heilige Geest je vertrouwen in je goddelijke identiteit en doel bevestigen of vergroten.
Een voorbeeld uit de Schriften
Teken eventueel het volgende schema op het bord en vraag de cursisten om het in hun studiedagboek over te nemen. U kunt de cursisten minder Schriftteksten laten bestuderen naargelang de behoeften van uw cursisten of de beschikbare tijd.
De ervaringen en leringen van mensen in het Oude Testament leren ons veel over onze goddelijke identiteit en ons doel. Hoewel veel van deze passages over mensen in het Oude Testament gaan, zijn de waarheden ook op ons van toepassing.
Voordat de cursisten deze teksten gaan bestuderen, kan het nuttig zijn om een van de teksten samen te bestuderen. U kunt dat onder andere op de volgende manier doen.
Lees Mozes 1:3, 6, 12–13 en ga na wat de kennis dat hij een kind van God was voor Mozes betekende.
-
Wat heb je gevonden?
De cursisten noemen wellicht waarheden als ik ben een kind van God en Hij heeft een werk voor mij te doen, of het besef dat ik een kind van God ben, kan mij verleiding helpen weerstaan. Teken pijlen op het bord van Mozes 1:3, 6, 12–13 naar nieuwe cirkels. Noteer deze waarheden of andere waarheden die de cursisten gevonden hebben in deze nieuwe cirkels. Vraag de cursisten eventueel om dat ook in hun studiedagboek te doen.
Als de cursisten baat hebben bij een diepgaandere bespreking van deze waarheden, kunt u materiaal uit les 4: ‘Mozes 1–11’ en les 5: ‘Mozes 1:12–26’ gebruiken.
-
Hoe heeft kennis van deze waarheden je leven veranderd (of hoe kan zij je leven veranderen)?
-
Welk werk heeft God voor jou te doen?
Studie en bespreking door cursisten
Voor de volgende activiteit kunt u de cursisten met een klasgenoot of in groepjes laten werken. Geef ze de onderstaande instructies. Pas de instructies aan de beschikbare tijd aan.
NB Vraag de cursisten die Genesis 1:26–27 lezen om ook de tweede alinea van ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’ te lezen voor meer inzichten. Als de cursisten het verhaal van koningin Esther niet kennen, kunt u uitleggen dat zij een Joodse vrouw in Perzië was die haar leven riskeerde om het volk van de Heer voor vernietiging te behoeden.
-
Lees drie of meer van de overige Schriftteksten in het schema.
-
Teken in het schema in je studiedagboek pijlen vanaf elke Schrifttekst die je leest. Teken nieuwe cirkels bij aan het eind van deze pijlen.
-
Noteer in deze nieuwe cirkels wat die Schrifttekst je leert over je goddelijke identiteit of doel.
-
Bespreek met je groepje wat deze leringen voor jou hebben betekend of kunnen betekenen.
Als de cursisten klaar zijn, kunt u ze vragen om een aantal waarheden in het schema op het bord te zetten.
Hieronder staan waarheden en lessen die de cursisten mogelijk hebben geleerd.
Abraham 3:22–23. Voordat ik geboren werd, leefde ik bij mijn hemelse Vader als een van zijn geestkinderen. Zie les 3: ‘Abraham 3’.
Abraham 3:24–26. Ik ben naar de aarde gestuurd om te zien of ik Gods geboden onderhoud.
Genesis 1:26–27. Ik ben een kind van hemelse Ouders, naar hun beeld geschapen. Zie les 8: ‘Genesis 1:26–27’. Zie ook de tweede alinea van ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’.
Esther 4:14. Mijn hemelse Vader plaatst mij in situaties waarin ik zijn werk kan helpen volbrengen. Zie les 94: ‘Esther, deel 1’.
Psalmen 82:6. Ik ben een kind van God met het potentieel om zoals Hij te worden.
Jeremia 1:5. Voordat ik werd geboren, kende de Heer mij en gaf Hij mij specifieke taken om in dit leven uit te voeren. Zie les 130: ‘Jeremia 1’.
Maleachi 2:10. We zijn allemaal kinderen van God en dienen vriendelijk met elkaar om te gaan.
Kies een aantal zinnen die de cursisten op het bord hebben geschreven en bespreek ze aan de hand van materiaal uit de bijbehorende les. Zie het einde van deze les voor de volledige afbeelding. U kunt ook een of meer vragen stellen, zoals:
-
Waarom denk je dat het belangrijk is om deze waarheid te kennen?
-
Door welke ervaringen ben je hierin gaan geloven?
-
Welke invloed heeft kennis van de goddelijke identiteit en bestemming van anderen op hoe we hen behandelen?
Toon dit citaat tijdens de bespreking van de vorige vraag:
President Russell M. Nelson heeft ons aangespoord om al Gods kinderen te respecteren:
Ieder van ons heeft goddelijk potentieel omdat ieder een kind van God is. We zijn wat Hem betreft allemaal gelijk. De implicaties van deze waarheid zijn enorm. Broeders en zusters, luister alstublieft goed naar wat ik nu ga zeggen. God heeft het ene ras niet meer lief dan het andere. Zijn leer is in dit opzicht helder. Hij nodigt allen uit om tot Hem te komen, ‘zwarte en blanke, geknechte en vrije, man en vrouw’ [2 Nephi 26:33].
Ik verzeker u dat uw status voor God niet door uw huidskleur wordt bepaald. Of u wel of niet bij God in de gunst staat, is afhankelijk van uw toewijding aan God en zijn geboden, en niet van uw huidskleur.
Het bedroeft mij zeer dat onze zwarte broeders en zusters over de hele wereld door racisme en vooroordeel zo veel ellende te verduren hebben. Ik roep vandaag onze leden overal op om het goede voorbeeld te geven en zich te ontdoen van elke houding of handeling die door vooroordeel wordt ingegeven. Ik smeek u om respect voor al Gods kinderen te bevorderen.
De vraag is voor ieder van ons, ongeacht ons ras, hetzelfde. Bent u bereid om God in uw leven te laten zegevieren? (‘Laat God zegevieren’, Liahona, november 2020, 94.)
Tot slot
Stel je voor dat een medecursist aan het eind van de les zegt: ‘Ik weet niet zeker of het waar is wat we vandaag hebben geleerd. Geloof je echt in al die dingen over onze goddelijke identiteit en ons doel?’
Denk na over wat je geleerd en gevoeld hebt. Schrijf in je studiedagboek kort op wat je tegen je vriend(in) zou kunnen zeggen.
Laat een aantal cursisten vertellen wat ze hebben opgeschreven. Moedig de cursisten aan het citaat van ouderling Stevenson op een spiegel te plakken die ze vaak gebruiken om gehoor te geven aan zijn uitnodiging. De volgende afbeelding geeft een idee van hoe het ingevulde schema eruit zou kunnen zien nadat de cursisten klaar zijn met de studieactiviteit.