‘Getrouwheid en profeten – vroeger en nu’, Liahona, januari 2026.
Getrouwheid en profeten – vroeger en nu
Vijf belangrijke beginselen waarmee we de valkuil kunnen vermijden om ons tegen profeten en apostelen te verzetten.
Toen ik 17 was en in West-Philadelphia (Pennsylvania, VS) woonde, vertelden de zendelingen ons gezin over Joseph Smiths eerste visioen. Het verlangen van de jonge Joseph om met God te communiceren en zijn wil te weten te komen, kwam sterk overeen met mijn eigen verlangens.
Toen de zendelingen ons over levende profeten en apostelen vertelden, vroeg ik: ‘Zijn er nu ook apostelen? Waar zijn die dan?’ Ze lieten ons een foto zien van president Spencer W. Kimball (1895–1985), zijn raadgevers in het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen in 1980. Dat sterkte mijn ontluikende getuigenis dat God, die gisteren, heden en voor eeuwig dezelfde is, nog steeds profeten en apostelen nodig had om zijn kinderen in deze tijd te leiden.
Na verloop van tijd lieten mijn beide ouders en alle tien de kinderen zich in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen dopen. Sinds ik levende profeten en apostelen heb leren kennen, is mijn getuigenis van hun heilige roeping en sleutels alleen maar sterker geworden.
Moeilijkheden waarmee profeten en apostelen geconfronteerd worden
Uiteraard is Satan er altijd op uit om het vertrouwen in profeten en apostelen te ondermijnen. Tenslotte zijn zij door de geschiedenis heen de voornaamste getuigen van de naam van Jezus Christus tot de hele wereld (zie Leer en Verbonden 107:23).
In onze tijd probeert de tegenstander te belemmeren wat president Russell M. Nelson ‘het belangrijkste wat er nu op aarde gebeurt’ noemt, namelijk de vergadering van Israël, die aan de wederkomst van Jezus Christus moet voorafgaan. De profeten en apostelen bezitten de sleutels van deze vergadering. Ze krijgen dus altijd met tegenstand te maken.
Of het nu in de oudheid of in de laatste dagen is, Satan heeft zelfs manieren gevonden om sommige verbondskinderen van God te misleiden zodat ze tegen de vroegere en hedendaagse apostelen van het Lam strijden (zie 1 Nephi 11:34–36).
Hier zijn vijf beginselen waarmee we kunnen voorkomen dat we in die valkuil trappen.
Geloof in de Heer Jezus Christus
Het eerste beginsel is ook het eerste beginsel van het evangelie: geloof in de Heer Jezus Christus en zijn verzoening.
Geloof is een richtinggevend. President Jeffrey R. Holland, waarnemend president van het Quorum der Twaalf Apostelen, heeft gezegd dat geloof altijd op de toekomst is gericht.
Naarmate ons geloof in Christus en ons vertrouwen in God toenemen, kijken we ‘vooruit met een oog vol geloof’ en zien we dat hun beloften worden vervuld (zie Alma 5:15; zie ook Mosiah 18:21; Alma 32:40). Tijdens de viering van ‘Wees één’, ter herdenking van de veertigste verjaardag van de openbaring over het priesterschap in 1978, nodigde president Dallin H. Oaks, eerste raadgever in het Eerste Presidium, allen uit om ‘in eenheid van geloof vooruit te blikken en op de belofte van de Heer te vertrouwen [zie 2 Nephi 26:33]’.
Deze voorwaartse blik brengt ons dichter bij de vervulling van president Nelsons belofte tijdens diezelfde gebeurtenis van ‘volmaakte vrede en harmonie’ en de dag waarover president Henry B. Eyring, tweede raadgever in het Eerste Presidium, zei: ‘De Heer Jehova zal terugkeren om te wonen bij hen die zijn volk zijn geworden en Hij zal hen eensgezind aantreffen, één van hart en verenigd met Hem en onze hemelse Vader.’
Satan daarentegen probeert het hart van Gods kinderen te verstokken zodat hun blik achterwaarts is gericht en ze blijven hangen in omstandigheden, uitspraken of leringen uit het verleden – ook als die door latere profeten en apostelen zijn verduidelijkt. Als ‘de aanklager van onze broeders […] dag en nacht’ (Openbaring 12:10) zet hij aan tot voortdurende kritiek op Gods profeten en apostelen en hun leringen. Dat ondermijnt op sluwe wijze het geloof in het onderwerp van hun getuigenis, Jezus Christus – zijn ultieme duivelse doel.
Uitspraken over eenheid, vrede en harmonie van onze hedendaagse apostelen maken duidelijk dat Satan weliswaar slim is in het aanwakkeren van twist en tweedracht, maar dat dit de tijd is voor alle verbondskinderen van God (zie 1 Nephi 11:34–36) om eensgezind de eeuwige waarheden te aanvaarden en toe te passen die God bij monde van zijn profeten en apostelen openbaart. Als we dat doen, kunnen we een verenigd, gelukkig, machtig, gelovig verbondsvolk worden zonder enige raciale, geslachtelijke, etnische of andere disharmonie.
De leringen van profeten en apostelen inspireren deze eenheid en dat zekere geloof in Jezus Christus, waardoor we altijd vooruitgang kunnen maken.
Veroordeel niet, oordeel niet, handel in geloof
Met het oog op onze tijd leert Moroni ons hoe we ervoor kunnen zorgen dat we geen kritische houding jegens profeten en apostelen ontwikkelen: het beginsel van niet veroordelen of oordelen.
‘Veroordeel mij niet wegens mijn onvolmaaktheid,’ zei Moroni, ‘noch mijn vader wegens zijn onvolmaaktheid, noch hen die vóór hem hebben geschreven; maar dank liever God dat Hij u onze onvolmaaktheden heeft onthuld, opdat u zult leren wijzer te zijn dan wij geweest zijn’ (Mormon 9:31; cursivering toegevoegd).
Met andere woorden, we concentreren ons op en leren van de leringen en het getuigenis van profeten en apostelen aangaande Christus en zijn evangelie, en zoeken niet naar hun onvolmaaktheid. God heeft in de loop van de geschiedenis enkele van deze onvolmaaktheden geopenbaard om ons tot nut te strekken en ons te leren wijzer te zijn. Ik dank Hem daarvoor.
Toch moeten we voorzichtig zijn. In de algemene aprilconferentie van 2019 haalde president Eyring deze lering van president George Q. Cannon (1827–1901), eerste raadgever in het Eerste Presidium, aan: ‘God heeft zijn dienstknechten gekozen. Het is zijn voorrecht om hen zo nodig te veroordelen. Hij heeft niemand onder ons het recht verleend om hen te bekritiseren of veroordelen. Niemand, hoe sterk zijn geloof ook is, welk priesterschapsambt hij ook bekleedt, kan over de gezalfden van de Heer kwaadspreken en Gods gezag op aarde bekritiseren zonder Gods ongenoegen over zich af te roepen. De Heilige Geest zal Zich aan zo’n man onttrekken, waardoor hij in duisternis wandelt. Ziet u niet in hoe belangrijk het is dat wij voorzichtig zijn?’
Wij hebben de zegen en het mandaat van de Heer met betrekking tot profetische leringen en daden, waaronder die welke we misschien moeilijk kunnen begrijpen of aanvaarden:
‘U […] zult acht slaan op al zijn woorden en geboden die hij u zal geven wanneer hij ze ontvangt, wandelend in alle heiligheid voor mijn aangezicht;
‘want zijn woord zult u aanvaarden, alsof uit mijn eigen mond, in alle geduld en geloof’ (Leer en Verbonden 21:4–5; cursivering toegevoegd).
Nogmaals, we veroordelen of oordelen niet (zie Mattheüs 7:1–2). Ik ben met geloof in Jezus Christus en dankbaarheid voor de zegen van profeten en apostelen voorwaarts gegaan, en ik ben rijkelijk gezegend (zie Leer en Verbonden 21:6).
Weersta de verleiding om de grenzen van onze bevoegdheid te overschrijden
Nog een belangrijk beginsel is voorkomen dat we onze bevoegdheid overschrijden of rollen op ons nemen die we niet hebben. Zo’n denkwijze misleidt ons zodat we onze eigen mening te hoog inschatten. Dat gebeurt vanzelf als we te geringschattend over de leringen van profeten en apostelen denken. Profeten en apostelen, inclusief die uit het verleden, veroordelen, gaat duidelijk ons gezag te boven, aangezien de Heer Zichzelf die mogelijkheid voorbehoudt. Ik heb er het volste vertrouwen in dat onze alwetende, liefdevolle en barmhartige Heiland alle fouten of onvolmaaktheden uit het verleden heeft aangepakt of zal aanpakken en gretig zal vergeven, zoals wij hopen dat Hij dat in het heden voor ons zal doen.
Nog een voorbeeld van het overschrijden van ons gezag is het zich aanmatigen om profeten en apostelen voor te schrijven welke maatregelen de kerk moet treffen of hoe de kerk bestuurd moet worden. Dat is de taak van de Heer, niet de onze (zie Leer en Verbonden 28:2–7). Hoe goed onze bedoelingen ook zijn, het veroordelen en het zich aanmatigen om profeten en apostelen richting te geven, komt voort uit hoogmoed en leidt tot misleiding en falen in het volgen van profetisch gezag.
De voortgaande herstelling
Vanaf 1820 tot heden heeft de Heer zijn profeten, zieners en openbaarders voortdurend onderricht in het openbaringsproces waardoor Hij zijn kerk leidt.
President Nelson heeft gezegd:
‘Wanneer wij als de raad van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf samenkomen wordt onze vergaderruimte een plaats van openbaring. De Geest is er tastbaar aanwezig. […] Hoewel we aanvankelijk misschien van mening verschillen, is de liefde die we voor elkaar voelen constant. Door onze eensgezindheid kunnen wij de wil van de Heer voor zijn kerk herkennen.
‘In onze vergaderingen heeft de meerderheid het niet voor het zeggen! Wij luisteren onder gebed naar elkaar en spreken met elkaar totdat we het eens zijn.’
Ouderling D. Todd Christofferson van het Quorum der Twaalf Apostelen heeft gezegd: ‘Het doel is niet alleen consensus onder de raadsleden, maar openbaring van God. Het is een proces waarbij zowel het verstand als het geloof actief zijn om de zin en wil van God te leren kennen.’
Dit herstelde, verfijnde veiligheidsbeginsel vergroot het vertrouwen in het vermogen van onze huidige leiders om de kerk altijd volgens de wil van de Heer te besturen.
Blijf nederig
Uiteraard staat Jezus Christus aan het hoofd van zijn kerk en geeft Hij zijn profeten aanwijzingen. Wat wij als onvolmaaktheden in hun woorden of daden beschouwen, kan in feite een weerspiegeling zijn van onvolmaaktheid in ons waarnemingsvermogen of menselijk begrip. Als we bedenken dat de wegen van de Heer hoger zijn dan onze wegen en dat zijn gedachten hoger zijn dan onze gedachten (zie Jesaja 55:8–9), vermijden we dat we profeten, ook die van vroeger, veroordelen. Die nederige houding stelt ons in staat om ‘in alle geduld en geloof’ gehoor te geven aan de woorden van levende profeten (Leer en Verbonden 21:5; zie ook 1:28).
Het biedt ons in een steeds moeilijkere wereld ook meer openbaring, hoop en geloof in Christus. Jakob heeft gezegd: ‘Daarom onderzoeken wij de profeten, en wij hebben vele openbaringen en de geest van profetie; en dankzij al deze getuigen verkrijgen wij hoop en wordt ons geloof onwrikbaar’ (Jakob 4:6). Als we nederig zijn, kunnen deze heilige ervaringen ons elk verlangen ontnemen om profeten en apostelen te bekritiseren, ook die van vroeger (zie Leer en Verbonden 88:124; 136:23). Nederigheid helpt ons ‘de profeten te onderzoeken’ naar waarheden die onze vreugde en vrede vergroten, en niet naar onvolmaaktheden te zoeken.
In die geest geef ik mijn zekere, liefdevolle getuigenis dat de profeten vanaf Joseph Smith profeten van God waren in een ononderbroken lijn van opvolging tot en met president Russell M. Nelson. Het is voor mij een grote zegen geweest om ‘de profeten te onderzoeken’ en door de leringen van ieder van hen dichter tot God te komen.
Ik getuig dat zij die op aanwijzing van deze profeten tot het heilig apostelschap geroepen werden, bijzondere getuigen van de naam van Jezus Christus in de hele wereld waren en zijn. Wat is het een voorrecht om door de leringen van deze getuigen naar Jezus Christus op te kijken en voorwaarts te gaan.