Jongemannen — sleuteldragers
Jongemannen moeten hun roeping met kracht vervullen, in de wetenschap dat ze zijn geordend met het recht om te handelen in het ambt waartoe zij zijn aangesteld.
Ik heb hier in mijn hand een zondagsschoollesboek met de titel Leiders in de Schriften uit het jaar 1947. De schrijvers waren Marion G. Merkley en Gordon B. Hinckley. 65 jaar geleden! Ik heb dit lesboek al vele jaren en het is een onderdeel van mijn motivatie voor deze toespraak.
Een van de belangrijkste gebeurtenissen van de herstelling was het verlenen van het Aäronisch priesterschap in mei 1829. Johannes de Doper verscheen aan Joseph Smith en Oliver Cowdery.
Joseph heeft geschreven: ‘Toen wij in gebed verzonken waren en de Here aanriepen, daalde er in een wolk van licht een hemelse boodschapper neer, en onder oplegging van zijn handen ordende hij ons, zeggende:
‘Aan u, mijn mededienstknechten, verleen ik in de naam van de Messias het priesterschap van Aäron, dat de sleutels omvat van de bediening van engelen, en van het evangelie der bekering, en van doop door onderdompeling tot vergeving der zonden.’1
Deze priesterschapsbijeenkomst van de algemene conferentie wordt bijgewoond door tienduizenden jongemannen die tot diakenen-, leraren- en priesterquorums over de hele wereld behoren. Aan het hoofd van elk quorum staat een presidium, waaronder een president die de sleutels draagt om dat priesterschapsquorum te leiden.
Velen van ons vinden die jeugdige leiders misschien te jong om die verantwoordelijke posities te hebben. Laten we eens kijken naar een paar voorbeelden van wat de jeugd allemaal kan.
Ten eerste, de profeet Jeremia.
‘Toen kwam het woord des Heren tot mij:
‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld.
‘Doch ik zeide: Ach, Here HERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
‘De Here echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot eenieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. (…)
‘Toen strekte de Here zijn hand uit en raakte mijn mond aan, en de Here zeide tot mij: Zie, ik leg mijn woorden in uw mond.’2
Als de Heer dat wenst, kan Hij dan ook niet woorden in de mond van een dertienjarige quorumpresident diakenen leggen die ‘de sleutels [draagt] van de bediening van engelen’?
Een andere jonge man, Timoteüs, was de zendingscollega van de apostel Paulus. De brieven van Paulus aan Timoteüs zijn een eerbetoon aan het geloof en getuigenis van deze heel jonge man. Ik zal een paar stukjes uit die brieven voorlezen:
‘Om die reden (…) [wakker] de gave Gods aan (…), die door mijn handoplegging in u is. (…)
‘[Christus heeft] ons behouden (…) en ons geroepen met een heilige roeping.’3
‘En dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken (…).’4
Zou een veertienjarige president lerarenquorum niet, net als Timoteüs, het recht hebben op een ‘gave Gods’ als hij door de bisschop is aangesteld? Is president lerarenquorum ook niet ‘een heilige roeping’? Kan een zestienjarige priester ‘wijs’ zijn? De Schriften antwoorden met een welluidend ja!
Een van de grootste voorbeelden van een heel jonge man die een bijdrage van gigantische betekenis leverde, is Mormon. Laten we een stukje van zijn verslag lezen:
‘En nu schrijf ik, Mormon, een kroniek van de dingen, die ik heb gezien en gehoord, en ik noem deze kroniek het Boek van Mormon.
‘Omstreeks het tijdstip, waarop Ammaron de kronieken in des Heren hoede verborg, kwam hij tot mij — ik was toen ongeveer tien jaar oud, en werd enigszins onderwezen volgens de leerwijze van mijn volk — en Ammaron zeide tot mij: Ik bemerk, dat gij een ernstig kind zijt, en vlug van begrip; (…)
‘En zie, gij zult de platen van Nephi onder uw berusting nemen, en de overblijvende zult gij op de plaats laten, waar ze zich bevinden; en op de platen van Nephi zult gij alles graveren, wat gij aangaande dit volk hebt waargenomen.’5
‘En niettegenstaande ik jong was, was ik groot van gestalte; daarom stelde het volk van Nephi mij aan tot hun leider, of tot aanvoerder van hun legers.
‘Daarom trok ik in mijn zestien jaar aan het hoofd van een leger der Nephieten op (…).’6
Wat een opeenvolging van gebeurtenissen in een jong leven! Hij begon zich op tienjarige leeftijd voor te bereiden op zijn profetische roeping en ontving kennis van de oude heilige verslagen. Door het volk van Nephi werd hij op zestienjarige leeftijd benoemd tot hoofd van de Nephitische legers.
In juni van het jaar dat ik twaalf was, raakte ik gewond bij een ongeluk met een paard toen ik in Randolph (Utah) kranten rondbracht. Ik moest zes maanden lang in een rolstoel zitten totdat ik op eerste kerstdag voor het eerst weer liep. Ik weet nog dat de leden van het presidium van het diakenenquorum me thuis kwamen opzoeken. Dale Rex, Doug McKinnon en anderen die dertienjarige leiders in het presidium van het diakenenquorum waren. Zij leken hun verantwoordelijkheid jegens mij als lid van hun quorum te begrijpen.
Onlangs was ik in de luchthaven van Salt Lake City bij de bagageband toen een vrouw naar me toe kwam en vroeg hoe ik heette. Ik herkende haar als een klasgenote van de middelbare school van jaren geleden. Ze was veranderd sinds ik haar de laatste keer had gezien. U weet wel hoe je je voelt als je naar de gevreesde reünie van de middelbare school gaat. Ze was een beetje grijs en had wat rimpels. (Natuurlijk was ík helemaal niet veranderd.) Het was duidelijk dat ze daar was om haar kind op te halen dat van een zending terugkeerde. Ik was verrast. Toen ze nog op school zat, waren haar ouders met hun gezin — geen van allen lid van de kerk – bij ons in het dorp komen wonen. Ze heette Alice Gomez. Ze was ongeveer even oud als mijn vrienden en ik. Ik herinnerde me dat ze aardig was en altijd beleefd, maar dat ze nooit naar de kerk was geweest.
Ik zei tegen haar: ‘Alice, vertel me jouw verhaal. Zo te zien ben je nu een actief lid van de kerk, maar je bent geen lid geworden toen we nog op school zaten.’
Haar antwoord was beschamend: ‘Niemand heeft het me ooit gevraagd!’ Allemachtig! Ons quorum had daar werkelijk een steek laten vallen.
Onlangs kreeg ik het verhaal te horen over een priestersquorum in Jamaica, dat besloot de zendelingen bij hun werk te helpen. Deze jongemannen gingen langs de deuren om afspraken voor de zendelingen te maken. Al gauw hadden ze meer verwijzingen dan de zendelingen aankonden.
Een priesterquorum in Kaysville (Utah) besloot dat ze niet één lid van hun quorum wilden verliezen. Het hele quorum ging naar het huis van een minderactief lid en ze gaven hun zondagse les aan het bed van dat lid. Al gauw ging deze jongeman op zondag met zijn quorum mee naar het huis van een ander.
Sinds het jaar 2003 zijn er meer dan 26 duizend wijken en gemeenten in de kerk met ongeveer 87 duizend diakenen-, leraren- en priestersquorums. Over een leger gesproken!
De bijdrage die de quorums van het Aäronisch priesterschap kunnen leveren aan het bekeren, behouden en activeren van andere leden van hun quorum is enorm.
Als de zestienjarige Mormon de opperbevelhebber van een groot leger kon zijn, en als Jeremia als kind woorden in de mond gelegd konden worden door de almachtige God, en als Timoteüs heel wijs kon zijn, dan kan iedere jongeman binnen het bereik van mijn stem aan de eisen van zijn taken in het quorum voldoen.
De taken van de Aäronische-priesterschapsquorums zijn niet minder belangrijk dan die van de ouderlingenquorums of hogepriestersgroepen. Bedenk: zij hebben ‘de sleutels van de bediening van engelen.’ Jongemannen moeten hun roeping met kracht vervullen, in de wetenschap dat ze zijn geordend met het recht om te handelen in het ambt waartoe zij zijn aangesteld.
Ik getuig dat deze Aäronische-priesterschapsquorums het heilige priesterschap van God dragen. In de naam van Jezus Christus. Amen.