Kom, volg Mij
De aansporing ‘Kom (…), volg Mij’ en de vraag ‘Wat zou Jezus doen?’ zijn uitstekende richtlijnen voor onze levenswijze.
Wij zijn discipelen van Jezus Christus. Nephi heeft gezegd: ‘Wij geloven in Christus (…) wij spreken van Christus, wij verheugen ons in Christus, wij prediken Christus, wij profeteren van Christus’ (2 Nephi 25:24, 26). De krachtigste instructie die Hij alle gelovigen ooit gegeven heeft, was: ‘Kom (…), volg Mij’ (Lucas 18:22; zie ook Matteüs 16:24, Marcus 1:17, Lucas 9:23). Toen Hem door een schriftgeleerde werd gevraagd wat het belangrijkste gebod was, antwoordde Jezus:
‘(…) gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
‘Het tweede (…) is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet’ (Marcus 12:30–31).
Laten we die twee geboden als richtlijn gebruiken en bespreken hoe we Hem het beste kunnen volgen.
De Heiland heeft altijd een duidelijk voorbeeld gegeven van de wederzijdse liefde tussen Hem en zijn Vader. De veelvuldige, lange en intense gebeden van de Heiland zijn een voorbeeld dat wij dienen te volgen. De liefde van de Vader voor zijn Zoon was duidelijk, vooral toen Jezus zich liet dopen door Johannes: ‘En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb’ (Matteüs 3:17).
De eenheid tussen die Twee werd duidelijk toen de Heiland zei: ‘Ik en de Vader zijn één’ (zie Johannes 10:30). Als we begrijpen dat zijn wil en die van de Vader soms zelfs even zouden kunnen verschillen, zoals in Getsemane (zie Matteüs 26:39), herinnert dat ons eraan dat onze gebeden misschien ook niet altijd zo worden verhoord als we hadden verwacht. Niettemin is gebed een krachtig actiebeginsel. De Heiland heeft gezegd dat je, als je geloof hebt en niet twijfelt, al wat je in het gebed gelovig vragen zult, zult ontvangen (zie Matteüs 21:21–22). Onze liefde voor de Heiland moet in de praktijk worden toegepast: ‘Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren” (Johannes 14:15).
Laten we vervolgens eens naar het tweede grote gebod kijken: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’ (Matteüs 22:39), of de tegenhanger ervan, op hoger niveau, zoals Jezus het de apostelen leerde: ‘dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb’(Johannes 13:34). Hoewel de buren uitnodigen voor een etentje een prima manier is om liefde te uiten, koos de Heiland een veel moeilijker voorbeeld toen een wetgeleerde Hem de vraag stelde: ‘En wie is mijn naaste?’ (Lucas 10:29.)
Daarop volgt het bekende verhaal van een man die van Jeruzalem naar Jericho reist, beroofd en mishandeld wordt, en half dood langs de weg wordt achtergelaten. De Leviet en de priester zien hem en gaan aan de andere kant van de weg voorbij. Maar een Samaritaan, die door de Joden veracht werd, had mededogen en verzorgde hem. De Samaritaan vroeg niet naar zijn afkomst alvorens hem barmhartigheid te betonen. Jezus besloot dit indrukwekkende verhaal met de aansporing ‘Ga heen, doe gij evenzo’ (Lucas 10:37).
In elke grote stad zijn er mensen die mishandeld en langs de kant van de weg achtergelaten zijn — daklozen, armen, hongerigen en zieken. Sommigen zeggen dat we, als we ze geld geven, alleen maar hun drugs- of alcoholverslaving in stand houden, waarmee we ze in staat stellen om de levenswijze die ze gekozen hebben voort te zetten. Het is zo makkelijk om die mensen te oordelen en, net als de vrienden van Job, te speculeren over de vergissingen die zij begaan hebben waardoor ze in deze enorme ellende zijn terechtgekomen. (Zie Job 22; Mosiah 4:17.)
Maar voordat we net als de Leviet en de priester voorbijlopen, moeten we eens denken aan de aansporing van de Heiland: ‘Kom (…), volg Mij.’ Bedenk dat de Heiland ook dakloos was, dat Hij alleen de kleren bezat die Hij aan had, en dat Hij vaak honger had. Wat zou Hij doen? Dat lijdt geen twijfel. Hij zou barmhartigheid tonen en ze helpen.
Er zijn veel manieren om de daklozen te helpen, bijvoorbeeld door van uw tijd, goederen en geld te geven aan liefdadigheidsorganisaties, gaarkeukens of andere instellingen die zich met deze problemen bezighouden. Toch vind ik dat we ze ook barmhartigheid moeten betonen. De gevestigde beginselen van de welzijnszorg zijn een goede richtlijn. Bedenk dat er altijd armen onder ons zullen zijn (zie Marcus 14:7).
De Heiland heeft dit beginsel beklemtoond toen Hij de dag des oordeels en het scheiden van de bokken en de schapen besprak:
‘Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven?
‘Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt en hebben U gekleed?
‘Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?
‘En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’ (Matteüs 25:37–40).
Petrus heeft het belang van deze soort naastenliefde beklemtoond toen hij zei: ‘Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de liefde bedekt tal van zonden’ (1 Petrus 4:8).
Mormon heeft iets soortgelijks gezegd in deze aansporing:
‘Daarom, mijn geliefde broederen, indien gij geen naastenliefde hebt, zijt gij niets, want naastenliefde vergaat nimmer.
‘Houdt daarom vast aan de naastenliefde, die het voornaamste van alles is, want alle dingen moeten vergaan —
‘Maar naastenliefde is de reine liefde van Christus, en duurt voor eeuwig; en wie ook ten laatsten dage in het bezit er van wordt bevonden, met hem zal het wél zijn.’ (Moroni 7:46–47.)
Jezus leerde ons dat wij aan veel eigenschappen moeten denken als we Hem proberen te volgen, en Hij was er zelf een goed voorbeeld van. Die eigenschappen zijn onder meer liefde, zachtmoedigheid, ootmoed, mededogen, dorsten naar gerechtigheid, vroomheid, barmhartigheid en zuiverheid van hart. We moeten nooit een ander oordelen, maar moeten onze naaste behandelen zoals wij zelf behandeld willen worden. Hij heeft ons geleerd dat we het zout der aarde en een licht voor de wereld moeten zijn. Hij heeft gezegd dat wat een mens in zijn hart denkt net zo belangrijk is als zijn uiterlijke daden. Er is ons gezegd dat we iedereen moeten vergeven, inclusief onze schuldenaren, en dat we onze vijanden moeten liefhebben. We moeten niet alleen vredestichters zijn, maar bovendien moeten we ons verheugen in onze vervolging. Hij heeft ons geadviseerd om onze gaven te geven, en in het verborgene te vasten en bidden. Hij heeft ons geleerd om de andere wang toe te keren en de tweede mijl te lopen. Hij heeft ons vooral gewaarschuwd dat we beter schatten in de hemel kunnen verzamelen dan hier op aarde (zie Matteüs 5–7).
Als we denken aan de volledige betekenis van de zinsnede ‘Kom (…), volg Mij’, dan wordt duidelijk dat we veel te leren hebben en veel te doen alvorens wij volledig gehoor kunnen geven aan die opdracht. Het is in dat opzicht interessant om te bedenken dat Jezus de eerste dertig jaar van zijn leven in Nazaret schijnbaar weinig aandacht trok, ook al leidde Hij een zondeloos leven (zie Matteüs 13:54–56; Marcus 6:2–3). Dat zou voor ons een aanmoediging moeten zijn om ons leven in stilte en ootmoed te beteren, zonder aandacht te trekken. De aansporing ‘Kom (…), volg Mij’ en de vraag ‘Wat zou Jezus doen?’ zijn uitstekende richtlijnen voor onze levenswijze. Als we meer aandacht schenken aan die richtlijnen, worden we allemaal christelijker in onze gedachten en onze daden.
Ik geef mijn getuigenis van de Heiland, die ons voorbeeld is, dat Hij leeft. In de naam van Jezus Christus. Amen.