Een banier voor de volken, een licht voor de wereld
Als we een banier willen zijn voor de volken en een licht voor de wereld, moet ieder zich meer de luister van het leven van Christus eigen maken.
Geliefde broeders en zusters, ik wil mijn dankbaarheid uiten voor uw schragende geloof en gebeden. De Heer heeft de leiders van deze kerk een grote en ernstige taak opgelegd, en u steunt ons in die taak. We weten dat u voor ons bidt, en we willen u laten weten dat wij voor u bidden.
Er gaat geen dag voorbij dat ik de Heer niet dank voor de getrouwe heiligen der laatste dagen. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet bid dat Hij u zal zegenen, waar u zich ook bevindt en wat uw behoeften ook zijn.
Ik wil u eraan herinneren dat dit een gezamenlijk werk is. Het is niet de algemene autoriteiten aan de ene kant en de leden van de kerk aan de andere kant. We werken vereend voor een grote zaak. We zijn allen lid van de Kerk van Jezus Christus.
U hebt net zo’n grote verantwoordelijkheid op uw werkterrein als ik op het mijne. We moeten ons allen sterk maken voor de opbouw van het koninkrijk van God op aarde, en moeten de rechtschapenheid bevorderen.
Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat wij met betrekking tot dit werk geen zelfzuchtige belangen voor ogen hebben, anders dan het te laten slagen.
Het Eerste Presidium krijgt voortdurend te maken met allerlei problemen. We worden er elke dag mee geconfronteerd.
Aan het eind van een bijzonder moeilijke dag keek ik naar het schilderij van Brigham Young dat bij mij aan de muur hangt. Ik vroeg: ‘Hoe moeten we het aanpakken?’ Het leek net of er een glimlach op zijn gezicht verscheen en hij leek te zeggen: ‘We hadden in mijn tijd zo onze eigen problemen. Je moet mij niet vragen wat je moet doen. Nu is het jouw beurt. Vraag het maar aan de Heer, want het is zijn werk.’ En dat doen we ook, dat verzeker ik u, en moeten we altijd doen.
Toen ik nadacht over deze zaken op die moeilijke dag, opende ik mijn bijbel bij het eerste hoofdstuk van Jozua en las daar deze woorden:
‘Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet verschrikt, want de Here, uw God, is met u’ (Jozua 1:9).
Ik hield mijzelf voor: ‘Er is geen reden om te wanhopen. Dit is het werk van God. In weerwil van de inspanningen van onze tegenstanders, zal het voorwaarts gaan, zoals de God des hemels dat bedoeld heeft.’
Ik bladerde verder door het Oude Testament en sloeg het tweede hoofdstuk van Jesaja op en las daar deze woorden:
‘En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen.
‘En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem’ (Jesaja 2:2–3).
Al sinds de inwijding van de Salt Laketempel hebben we deze tekst uit Jesaja, herhaald in Micha (zie Micha 4:1–2), toegepast op dat heilige huis van de Heer. En met dat huis in gedachten hebben steeds meer mensen overal ter wereld sinds die inwijdingsdag als het ware gezegd: ‘Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen.’
Ik geloof en getuig dat het de zending van deze kerk is om een banier voor de volken en een licht voor de wereld te zijn. Wij hebben een grote, allesomvattende opdracht gekregen waaraan we ons niet kunnen onttrekken en die we niet naast ons neer kunnen leggen. We accepteren die opdracht en zijn vast van plan die te vervullen, en we zullen het doen met de hulp van God.
Er zijn genoeg invloeden om ons heen die ons ervan af willen houden. De wereld zit ons voortdurend op de huid. Van alle kanten wordt er druk op ons uitgeoefend om concessies te doen, om toe te geven, hier een beetje en daar een beetje.
We moeten ons doel nooit uit het oog verliezen. We moeten altijd uitgaan van het doel dat de Heer ons gesteld heeft.
Ik citeer Paulus:
‘Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht.
‘Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels.
‘Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Efeziërs 6:10–12).
We moeten standhouden. We moeten de wereld weerstaan. Als we dat doen, zal de Almachtige onze kracht en onze beschermheer, onze leidsman en onze openbaarder zijn. Dan zullen we er zeker van zijn dat we doen wat Hij wil dat we doen, en dat zal ons gemoedsrust schenken. Anderen hoeven het niet met ons eens te zijn, maar ik ben er zeker van dat ze ons zullen respecteren. We staan er niet alleen voor. Er zijn er velen die geen lid zijn, maar die er wel zoals wij over denken. Ze zullen ons steunen. Ze zullen onze inspanningen steunen.
We mogen niet arrogant zijn. We mogen geen eigendunk hebben. De situatie waarin de Heer ons geplaatst heeft, vergt van ons dat we nederig zijn als we zijn leiding willen ontvangen.
Hoewel we het soms in bepaalde kwesties niet eens kunnen zijn met anderen, moeten we nooit onaangenaam worden. We moeten vriendelijk, beschaafd, behulpzaam en begripvol zijn.
Nu wil ik nadruk leggen op een onderwerp dat in deze conferentie al eerder is behandeld. Tot onze jonge mensen, de prachtige jongeren van deze generatie, zeg ik: wees trouw. Blijf bij je geloof. Sta pal voor het goede.
Er is overal verleiding om je heen. In de concertzalen, op het internet, in de bioscoop, op de televisie, in goedkope lectuur, en op zoveel andere terreinen — subtiel, prikkelend en moeilijk te weerstaan. Je leeftijdgenoten oefenen grote druk op je uit. Maar, beste jonge vrienden, je moet er niet aan toegeven. Je moet sterk zijn. Je moet je blik richten op je toekomst in plaats van te zwichten voor verleiding, hoe bekoorlijk ook.
Slonzig uitziende muzikanten trekken grote groepen jongeren. Ze rekenen zich rijk aan hoge toegangsprijzen. Heel veel van hun liedjes zijn suggestief van aard.
Pornografie is overal met haar prikkelende beelden. Je moet er bij wegblijven. Je kunt eraan verslaafd raken. Je kunt eraan ten onder gaan. Porno is smakeloos en smerig, en wordt gefabriceerd en verspreid door onverlaten die er rijk van worden ten koste van hun klanten — meer is het niet.
Seks wordt in de media voorgesteld als iets obsceens, en daarmee wordt de heiligheid van seks finaal tenietgedaan. Datgene wat van nature en van zichzelf mooi is, wordt als iets vunzigs voorgesteld. Het deed mij genoegen dat de televisiezender waarvan de kerk eigenaar is hier in Salt Lake City weigerde een programma uit te zenden dat erotisch getint was. Het is ook interessant dat de enige andere zender die het programma ook niet uitzond, een omroep in South Bend (Indiana) was, waar de University of Notre Dame is gevestigd. Het doet me goed te weten dat er anderen zijn die er net zo over denken als wij en er ook iets aan willen doen.
Het leven wordt veel te vaak negatief in beeld gebracht. Men doet geen recht aan de mens. Men doet geen recht aan de liefde. Dit soort vermaak is slechts een boze karikatuur van het goede en het mooie.
De jonge mensen die mij nu kunnen horen, de studenten onder ons, weten dat er onder de studenten veel sterkedrank wordt gedronken, en dat dat een probleem aan het worden is. Het stompt af. Het vernietigt. Er gaat veel tijd en geld aan op. Het is droevig om te zien dat intelligente jonge mensen zichzelf schade toebrengen en hun toekomst op het spel zetten met overmatig drankgebruik.
De studenten aan de Brigham Young University kregen onlangs van de Princeton Review het compliment dat zij de ‘broodnuchterste’ groep studenten in Amerika waren. Niet iedereen kan uiteraard aan de BYU studeren, maar waar je ook bent, je kunt er dezelfde normen op na houden die aan de BYU gelden.
Onlangs las ik in het tijdschrift New Era een artikel over jonge heiligen der laatste dagen in Memphis (Tennessee). In sommige gevallen zijn zij de enige heilige der laatste dagen aan een universiteit. Eén van hen zegt in dat artikel: ‘Ik kan dan wel het enige lid op school zijn, maar (…) zelfs als ik er alleen voor sta, dan ben ik geestelijk nooit alleen.’ (Arianne B. Cope, ‘Smiling in Memphis’, New Era, oktober 2003, 23–24).
Een ander zegt: ‘Ik ken nogal wat tieners die zich afvragen of het evangelie wel echt waar is. Maar (…) hier moet je dat wel weten, omdat er altijd wel iemand is die er iets over wil weten. Elke keer dat je een vraag beantwoordt, geef je je getuigenis’ (New Era, oktober 2003, p. 25).
Deze jonge mensen, verspreid over die grote stad, hebben geleerd stelling te nemen, en elkaar te sterken.
God zegene u, geliefde jonge vrienden. Jullie zijn de beste generatie die we ooit hebben gehad. Jullie kennen het evangelie beter. Jullie zijn getrouwer in jullie plichten. Jullie zijn beter opgewassen tegen de verleidingen waarmee je te maken krijgt. Houd je aan je normen. Bid om de leiding en bescherming van de Heer. Hij zal je nooit in de steek laten. Hij zal je troosten. Hij zal je steunen. Hij zal je zegenen en grootmaken, en je beloning zal zoet en prachtig zijn. En je zult merken dat jouw goede voorbeeld anderen zal aanspreken, en dat zij moed zullen putten uit jouw houding.
Wat geldt voor de jeugd, geldt ook voor de volwassenen. Als we de kerk een banier willen laten zijn voor de volken en een licht voor de wereld, moet ieder zich meer de luister van het leven van Christus eigen maken, wat onze omstandigheden ook zijn. We hebben gekozen voor wat goed is, dan moeten we ook niet bang zijn voor de consequenties. We moeten nooit bang zijn. Paulus heeft tegen Timoteüs gezegd:
‘Want God heeft ons niet gege-ven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid.
‘Schaam u dus niet voor het getuigenis van onze Here’ (2 Timoteüs 1:7–8).
Deze kerk is veel meer dan een sociale instelling waar we naar toegaan om in elkaars gezelschap te zijn. Zij is veel meer dan de zondagsschool en ZHV en priesterschap. Zij is meer dan de avondmaalsdienst, zelfs meer dan de tempeldienst. Zij is het koninkrijk van God op aarde. Wij behoren ons te gedragen naar ons lidmaatschap in dat koninkrijk.
U die het priesterschap draagt, hebt een grote verantwoordelijkheid. U moet de zwoele sirenenzang van de wereld weerstaan. U moet er bovenuit stijgen. U moet het priesterschap van God waardig zijn. U moet het kwaad in al zijn vormen schuwen en u goedheid en fatsoen aanmeten, laat het licht, het goddelijke licht, afschijnen van uw daden.
Het gezin kan onmogelijk een vredig toevluchtsoord zijn als de man des huizes geen begripvolle en behulpzame echtgenoot en vader is. Met de kracht die wij thuis opdoen, zijn we beter bestand tegen de wereld, bewegen we ons beter in de gemeenschap waarvan we deel uitmaken, hebben we een meerwaarde voor onze werkgever, zijn we een beter mens.
Ik ken veel van die mannen. Het is duidelijk dat zij van hun vrouw en kinderen houden. Zij zijn trots op hen. En wat meer is, zij zijn ook nog eens uitzonderlijk succesrijk in het beroep dat ze gekozen hebben. Zij krijgen lof, eer en respect.
En nu richt ik mij tot de vrouwen. Ik heb vorige week langdurig gesproken tot de vrouwen in de ZHV. In die toespraak uitte ik mijn innige opvattingen over u. Ook u kunt zich de luister van Christus eigen maken. Ook u kunt sterk en bemoedigend, aantrekkelijk en behulpzaam zijn.
Ik wil iedereen eraan herinneren dat we heiligen der laatste dagen zijn. We hebben heilige en bindende verbonden met onze hemelse Vader gesloten. Die verbonden, als we ons eraan houden, maken een betere vader of moeder van ons, een betere zoon of dochter.
Ik geloof dat anderen zich bij ons zullen voegen als we dat doen. Wij kunnen staan voor waarheid en goedheid, en we staan daar niet alleen in. Bovendien zullen we hulp krijgen van de onzichtbare machten uit de hemel.
Ik wil nog even met u terug naar het Oude Testament:
‘Toen de dienaar van de man Gods des morgens vroeg opstond en naar buiten trad, zie, een leger omringde de stad, zowel paarden als wagens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach, mijn heer! wat moeten wij doen?
‘Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn.
‘Toen bad Elisa: Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de Here opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa’ (2 Koningen 6:15–17).
De Heer heeft tegen ons gezegd:
‘Vreest daarom niet, kleine kudde; doet goed; laat aarde en hel tegen u samenspannen, want indien gij op mijn rots zijt gebouwd, kunnen zij u niet overweldigen. (…)
‘Blikt tot Mij op bij iedere gedachte; twijfelt niet, vreest niet’ (LV 6:34, 36). In de naam van Jezus Christus. Amen.