Goddelijk gezag, grootse jongemannen
Ik ben eeuwig dankbaar dat dragers van het Aäronisch priesterschap, met zijn macht, verordeningen en plichten, ons allen tot zegen zijn.
Bedankt, ouderling Andersen, voor die opmerkelijke uiting van priesterschapsmacht en van de kracht van de verzoening van de Heiland.
Toen ik in januari in de avondmaalsdienst zat, werd een tiental jongemannen steun verleend om in het Aäronisch priesterschap te worden verhoogd. Ik voelde de wereld veranderen.
Ik besefte dat over de hele wereld, tijdzone na tijdzone, in avondmaalsdiensten zoals deze, tienduizenden diakenen, leraren en priesters – zoals president Hollands vriend Easton – werden gesteund om te worden geordend tot levenslange priesterschapsbediening in elk onderdeel van de vergadering van Israël.
Ieder jaar in januari wordt ongeveer honderdduizend jongemannen de handen opgelegd om hen door een verordening met een duidelijke gezagslijn te verbinden, die via Joseph en Oliver in het begin van de herstelling tot Johannes de Doper en Jezus Christus gaat.
Wij doen in onze kerk zelden iets met veel vertoon. We houden het in het algemeen nogal sober.
Maar toen ik deze vloedgolf van pasgeordende priesterschapsdragers de aarde zag overspoelen, vroeg ik me af of we dit niet van de daken moesten schreeuwen, zoals het ‘de kerk van vreugde’ betaamt. Ik dacht: Vandaag moet er eigenlijk trompetgeschal, tromgeroffel en vuurwerk zijn. En een optocht!
Omdat we weten wat Gods macht echt inhoudt, zagen we het patroon van deze wereld ontwricht worden door goddelijk gezag dat zich over de aarde verspreidde.
Door deze ordeningen beginnen deze jongemannen aan een leven van dienstbaarheid. Ze zullen zich in gewichtige situaties bevinden waarin hun aanwezigheid en gebeden, en de macht van het priesterschap van God dat ze dragen, van groot belang zijn.
Een dienende engel van God heeft die beheerste kettingreactie in gang gezet. De herrezen Johannes de Doper verscheen aan Joseph en Oliver, legde zijn handen op hun hoofd en zei: ‘Aan u, mijn mededienstknechten, verleen ik, in naam van de Messias, het priesterschap van Aäron, dat de sleutels omvat van de bediening van engelen en van het evangelie van bekering en van de doop door onderdompeling tot vergeving van zonden’ (Leer en Verbonden 13:1).
Johannes noemde dit gezag het ‘priesterschap van Aäron’, naar de broer en priesterschapscollega van Mozes. In de oudheid hadden Aäronisch-priesterschapsdragers de taak om in de verordeningen te onderwijzen en erbij te assisteren. Deze verordeningen richtten de discipelen op de toekomstige Messias, de Heer Jezus Christus (zie Deuteronomium 33:10).
In Numeri krijgen de Aäronisch-priesterschapsdragers expliciet de taak om de voorwerpen voor de verordeningen te hanteren. ‘Maar Aäron en zijn zonen moet u opdragen […] en hun taak [is] de zorg voor [de tafel] en de voorwerpen van het heiligdom, waarmee ze de dienst verrichtten’ (Numeri 3:10, 31).
De oudtestamentische verordening van dierenoffers werd door het leven en de verzoening van de Heiland vervuld en vervangen. In de plaats daarvan hebben we nu de verordening van het avondmaal van de Heer.
De Heer vertrouwt de hedendaagse Aäronisch-priesterschapsdragers toe om vrijwel hetzelfde te doen als vroeger: in de verordeningen onderwijzen en ze bedienen – zodat wij zijn verzoening indachtig zijn.
Als diakenen, leraren en priesters bij het avondmaal helpen, ontvangen ze de zegeningen net als iedereen: door het verbond na te komen dat ze sluiten wanneer ze van het brood en het water nemen. Maar door de uitvoering van deze heilige taken leren ze ook meer over hun priesterschapstaken.
We noemen het Aäronisch priesterschap het voorbereidend priesterschap, deels omdat ze door de verordeningen ervaren hoe gewichtig en vreugdevol het is om in dienst van de Heer te zijn. Ze worden voorbereid op toekomstig priesterschapswerk, waarbij hun misschien onverwacht gevraagd wordt om te dienen – zoals door een geïnspireerde zegen uit te spreken wanneer hoop en dromen vervliegen, en zelfs bij kwesties van leven en dood.
Zulke ernstige verwachtingen vereisen een ernstige voorbereiding.
In de Leer en Verbonden staat dat diakenen en leraren ‘moeten […] waarschuwen, uitleggen, aansporen en onderwijzen, en allen uitnodigen om tot Christus te komen’ (Leer en Verbonden 20:59). Priesters moeten daarnaast ook ‘prediken […] en dopen’ (Leer en Verbonden 20:50).
Dat lijkt veel werk, maar in het echte leven gaan die dingen vanzelf, over de hele wereld.
Een bisschop onderwees zijn nieuwe quorumpresidium diakenen in deze plichten. Het jonge presidium besprak hoe dat er in hun quorum en wijk zou kunnen uitzien. Ze besloten oudere wijkleden te bezoeken om erachter te komen wat ze nodig hadden en dat dan te doen.
Een van de mensen die ze dienden, was Alan, een ruwe, vloekende, soms vijandige man. Alans vrouw, Wanda, werd lid van de kerk, maar Alan was een vrij onaangename man.
Toch gingen de diakenen aan de slag. Ze ruimden sneeuw en zetten het afval buiten, terwijl ze zijn beledigingen met een glimlach negeerden. Diakenen hebben iets innemends, en Alan begon uiteindelijk van hen te houden. Op een gegeven moment nodigden ze hem naar de kerk uit.
‘Ik heb een hekel aan de kerk’, zei hij.
‘Maar je mag ons wél’, zeiden ze. ‘Ga dan met ons mee. Je kunt misschien met ons naar onze quorumvergadering gaan.’
En met toestemming van de bisschop ging hij, en bleef hij gaan.
De diakenen werden leraar, en terwijl ze hem bleven dienen, leerde hij ze aan auto’s werken en dingen bouwen. Tegen de tijd dat de leraren priester waren, noemde Alan ze ‘mijn jongens’.
Ze waren zich ijverig op een zending aan het voorbereiden en vroegen hem of ze de zendelingenlessen met hem mochten oefenen. Hij zwoer dat hij nooit zou luisteren of geloven, maar ze mochten bij hem thuis oefenen.
Toen werd Alan ziek. En hij werd zachter.
Op een dag vroeg hij ze in de quorumvergadering vriendelijk om te bidden dat hij kon stoppen met roken, en dat deden ze. Maar ze gingen ook met hem mee naar huis en namen zijn tabak in beslag.
Terwijl Alan door zijn zwakke gezondheid in ziekenhuizen en afkickcentra belandde, bleven ‘zijn jongens’ hem dienen en stilletjes de macht van het priesterschap en van ongeveinsde liefde uitstralen (zie Leer en Verbonden 121:41).
Het volgende wonder was dat Alan zich wilde laten dopen, maar helaas overleed hij vroegtijdig. Op zijn verzoek droegen de diakenen die nu priester waren zijn kist en spraken ze op zijn begrafenis, waar ze – toepasselijk – waarschuwden, uitlegden, aanspoorden, onderwezen, en allen uitnodigden om tot Christus te komen.
Uiteindelijk was het ook een van ‘Alans jongens’ die in de tempel de voormalige quorumpresident diakenen voor Alan doopte.
Alles wat Johannes de Doper had gezegd dat ze moesten doen, deden ze. Zij deden wat diakenen, leraren en priesters in de hele kerk en in de hele wereld doen.
Een van de taken van Aäronisch-priesterschapsdragers is de bediening van het avondmaal.
Vorig jaar maakte ik kennis met een geïnspireerde bisschop en zijn geweldige vrouw. Ze hadden onlangs plots op tragische wijze hun 2-jarig dochtertje, Tess, verloren toen ze op zaterdagochtend naar de doop van hun zoon reden.
De volgende ochtend kwamen de leden van hun wijk vol medeleven in de avondmaalsdienst bijeen. Ze rouwden zelf ook om het verlies van dit lieve meisje. Niemand verwachtte dat het gezin van de bisschop die ochtend in de kerk zou zijn, maar een paar minuten voordat de dienst begon, kwamen ze stilletjes binnen en gingen ze zitten.
De bisschop ging naar het podium, liep voorbij zijn gebruikelijke zitplaats tussen zijn raadgevers, en ging tussen zijn priesters aan de avondmaalstafel zitten.
Tijdens die vreselijke, slapeloze nacht waarin hij naar een verklaring en gemoedsrust had gezocht, was hij door een ingeving te weten gekomen wat zijn gezin en zijn wijk het meest nodig hadden. Ze moesten de stem horen van hun bisschop, de president van de Aäronische priesterschap in hun wijk en rouwende vader, die de beloften van het avondmaalsverbond uitsprak.
Dus even later knielde hij met die priesters neer en sprak hij tot zijn Vader. Door de aandoenlijkheid van de situatie sprak hij enkele van de krachtigste woorden uit die iemand in dit leven ooit hardop mag zeggen.
Woorden van eeuwig belang.
Woorden van een verordening.
Woorden van een verbond.
Onderricht dat ons met het doel van dit leven verbindt – en met de meest verheven uitkomsten van het plan van onze hemelse Vader voor ons.
Kun je je voorstellen wat de aanwezigen die dag in die kapel hoorden – wat zij voelden in de woorden die we elke zondag in onze kerk horen?
‘O God, eeuwige Vader, wij vragen U in de naam van uw Zoon, Jezus Christus, dit brood te zegenen en te heiligen voor de zielen van allen die ervan nemen, opdat zij het mogen eten ter gedachtenis van het lichaam van uw Zoon, en U, o God, eeuwige Vader, betuigen dat zij gewillig zijn de naam van uw Zoon op zich te nemen en Hem altijd indachtig te zijn, en zijn geboden te onderhouden die Hij hun heeft gegeven, opdat zij zijn Geest altijd bij zich mogen hebben. Amen’ (Leer en Verbonden 20:77).
En daarna: ‘O God, eeuwige Vader, wij vragen U in de naam van uw Zoon, Jezus Christus, [dit water] te zegenen en te heiligen voor de zielen van allen die ervan drinken, opdat zij het mogen doen ter gedachtenis van het bloed van uw Zoon dat voor hen is vergoten, opdat zij U, o God, eeuwige Vader, mogen betuigen dat zij Hem altijd indachtig zijn, opdat zij zijn Geest bij zich mogen hebben. Amen’ (Leer en Verbonden 20:79).
Deze goede vader en moeder getuigen dat die belofte vervuld is. Zij hebben ‘zijn Geest bij zich’, die hen uitermate troost.
Ik ben eeuwig dankbaar dat dragers van het Aäronisch priesterschap, met zijn macht, verordeningen en plichten, ons allen tot zegen zijn door de sleutels van de ‘bediening van engelen en van het evangelie van bekering en van de doop door onderdompeling tot vergeving van zonden’ (Leer en Verbonden 13:1). In de naam van Jezus Christus. Amen.