Verborgen schatten
De verzoening van de Heiland in het Oude Testament vinden
Kijk goed; leer diepgaand.
Sommige mensen denken misschien dat het Oude Testament, dat vóór de geboorte van de Heiland is geschreven en waarin Jezus Christus niet bij naam wordt genoemd, niet veel over Pasen te zeggen heeft. Maar zoals in het Boek van Mormon wordt verduidelijkt, kenden de mensen in de oudheid de Heiland en geloofden ze in Hem (zie Jakob 4:4).
De Israëlieten werd geleerd dat de wet van Mozes was bedoeld om hen op Christus te wijzen. Toen ze bijvoorbeeld van giftige slangenbeten werden genezen door naar de koperen slang te kijken die Mozes van de Heer moest maken, leerde Mozes ze dat dit symbool stond voor de Heiland. Hij zou komen en hen van hun zonden redden (zie Numeri 21:7–9; Alma 33:18–20).
Helaas ontbreekt er veel aan duidelijkheid in de Bijbel zoals we die nu kennen, door veranderingen die door de eeuwen heen met opzet of per ongeluk zijn aangebracht (zie 1 Nephi 13:23–27).
Maar als je goed kijkt, kun je nog steeds veel verwijzingen naar de Heiland en zijn verzoening in het Oude Testament vinden. Laten we er een paar bespreken!
Palmzondag, Gethsémané en het verhoor
‘Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin’ (Zacharia 9:9).
Dat gebeurde op Palmzondag, zeven dagen voor Pasen, toen Jezus triomfaal Jeruzalem binnenreed (zie Mattheüs 21:5).
‘Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen. Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde, door God geslagen en verdrukt’ (Jesaja 53:4).
In Gethsémané leed de Heiland voor alle zonden en voelde Hij het verdriet, de pijn, de ziekten en het leed van iedereen die ooit op aarde heeft geleefd of ooit zou leven. Daardoor weet Hij hoe Hij ons in onze beproevingen kan troosten (zie Alma 7:11–13; zie ook Mattheüs 8:17).
‘Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open’ (Jesaja 53:7).
Jezus zweeg toen de hogepriester Hem ondervroeg (zie Markus 14:60–61).
De kruisiging
‘Een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord’ (Psalmen 22:17).
‘Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om mijn gewaad’ (Psalmen 22:19).
‘Zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven, in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken’ (Psalmen 69:21).
Kruisiging was een gebruikelijke manier van terechtstelling in die tijd, maar de Romeinse soldaten waren bijzonder wreed in de wijze waarop zij de Heiland bespotten en kwelden (zie Johannes 19:1–3; Mattheüs 27:34–35, 48).
De opstanding
‘Hij zal de dood voor altijd verslinden, de Heere Heere zal de tranen van alle gezichten afwissen en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde, want de Heere heeft gesproken’ (Jesaja 25:8).
‘Ik weet echter: mijn Verlosser leeft, en Hij zal ten laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen’ (Job 19:25–26).
De Heer Jezus Christus is opgestaan. Hij leeft nu! Talloze Schriftteksten en getuigenissen bevestigen dat. Bovendien wist onze hemelse Vader vanaf het begin dat we een Heiland nodig hadden. Hij bereidt zijn kinderen al sinds de tijd van het Oude Testament voor om de Heiland te ontvangen.