‘Snoepvriendjes’, Vriend, april 2026, 18–19.
Snoepvriendjes
Rowan wilde Ernests vriend zijn, maar hij wist niet wat hij moest zeggen.
Een waargebeurd verhaal uit de VS.
Rowan zag dat juf Brody een nieuwe leerling uitnodigde om voor de klas te komen staan.
‘Dit is Ernest’, zei juf Brody. ‘Hij is net vanuit Oekraïne naar Hawaï gekomen. Hij spreekt geen Engels. Willen jullie allemaal aardig zijn en zijn vriend zijn?’
Rowan en zijn klasgenoten knikten.
Ernest keek met gefronste wenkbrauwen naar de grond. Hij was de enige die een lange broek en een shirt met lange mouwen droeg.
Rowan vroeg zich af hoe het zou zijn om naar een ander land te verhuizen en de taal niet te spreken. Dat leek hem heel spannend!
In de pauze zag Rowan dat Ernest alleen naar een plek liep terwijl de andere kinderen wegrenden om samen te spelen. Zijn wenkbrauwen waren nog steeds gefronst.
Rowan wilde vrienden met hem zijn, maar hij wist niet wat hij moest zeggen. Hoe konden ze vrienden zijn als ze niet dezelfde taal spraken?
Na school ging Rowan naar huis en vroeg papa om hulp. ‘Kun je me helpen om op te zoeken hoe ik dingen in het Oekraïens kan zeggen?’ vroeg Rowan. ‘Er is een nieuwe jongen in onze klas die geen Engels spreekt.’
Papa knikte. ‘Natuurlijk.’
Eerst zochten ze op hoe je ‘Het is lunchpauze’ moest zeggen. Rowan luisterde naar het antwoord. ‘Nastav obidniy chas.’ Rowan probeerde het een paar keer te zeggen. Dat was moeilijk! Dus zocht hij op hoe hij ‘hallo’ moest zeggen.
‘Pryvit’, zei de stem op de computer. Dat was makkelijker. Rowan herhaalde het woord keer op keer en oefende met de uitspraak.
De volgende dag zag Rowan dat Ernest tijdens de pauze weer alleen op het gras zat. Rowan ging naast hem staan en glimlachte. ‘Pryvit!’ zei hij met een luide stem. Hij hoopte dat hij het goed had gezegd.
Ernest glimlachte en gaf Rowan een snoepbeertje.
Rowan ging naast Ernest zitten en zei weer pryvit. Toen zei hij: ‘Hallo.’
‘Hallo’, zei Ernest langzaam. Hij gaf Rowan nog een snoepbeertje. Het rook naar sinaasappel en het smaakte heerlijk.
Rowan tekende vier lijnen in het zand naast hen om boter-kaas-en-eieren te spelen. Hij leerde Ernest hoe je het moet spelen. Het was moeilijk om uit te leggen omdat ze niet dezelfde taal spraken. Soms tekende Ernest een X als hij niet aan de beurt was. Maar dat vond Rowan niet erg. Hij wilde gewoon zijn vriend zijn.
Die week speelde Rowan elke dag met Ernest tijdens de pauze. Ze aten samen snoepbeertjes en speelden spelletjes.
Op een dag vroeg papa: ‘Hoe gaat het met de nieuwe jongen in je klas? Heb je de woorden gezegd die je had geoefend?’
‘Ja! Hij heet Ernest’, zei Rowan. ‘We spelen spelletjes tijdens de pauze en hij geeft me snoepbeertjes.’
Papa glimlachte. ‘Dat is geweldig.’ Hij ging naast Rowan zitten. ‘Ernest en zijn familie zijn vluchtelingen. Ze komen uit een ver land. Ouderling Kearon heeft gezegd dat Jezus Christus als jongen een vluchteling was en vroeg ons om vriendschap te sluiten als we mensen uit een ander land ontmoeten. Wat heb je volgens jou nodig om een goede vriend te zijn?’
Rowan dacht even na. ‘Een beetje liefde en leuke spelletjes om samen te spelen’, zei hij. ‘Dan kunnen anderen ook meedoen met het spelletje en elkaar beter leren kennen.’
Papa gaf Rowan een knuffel. ‘Jij volgt nu Jezus en je doet wat de profeten van ons vragen’, zei hij. ‘En je hebt er ook nog een nieuwe vriend bij.’
Illustraties, Josh Talbot