Wekelijkse content voor JOVO’s
Als ik niet meer kon doen waar ik zoveel van hield, wie zou ik dan zijn?
Liahona maart 2026


Uit Wekelijkse content voor JOVO’s

Als ik niet meer kon doen waar ik zoveel van hield, wie zou ik dan zijn?

Toen ik kwijtraakte wat ik dacht dat mij definieerde, kwam ik erachter dat een kind van God zijn de identiteit is die er het meest toe doet.

een jonge zendelinge staat bij roze bloemen

Foto met dank aan de auteur

Volleyballen is altijd belangrijk voor mij geweest. Volleybal was mijn hele leven! Na de middelbare school kreeg ik een beurs om voor een universiteit te spelen.

Maar voordat het schooljaar begon, legde mijn arts uit dat het vanwege mijn Marfansyndroom te riskant was om te spelen. Deze aandoening tast de hoofdklep van mijn hart aan. Mijn universiteit heeft me medisch afgekeurd om te spelen. Ik mocht mijn beurs houden, maar ik kon niet meedoen.

Ik was er kapot van. Ik probeerde wel dicht bij de Heer te blijven, maar mijn hart deed pijn. Ik had mezelf altijd als volleybalster gezien. Wie was ik zonder dat?

Gehoor geven aan een ingeving

Op een dag kwamen een teamgenote en ik na de training langs een winkeltje met een bordje ‘Personeel gevraagd’. Ik was niet op zoek naar werk, maar ik had nu toch tijd over. Ik dacht ik dat het wel een leuke afleiding kon zijn en werd dezelfde dag nog aangenomen.

De baan bracht wat geluk en zingeving in mijn leven. Maar aangezien ik het hele seizoen nog steeds met het volleybalteam meereisde, had ik het gevoel dat ik zo dicht bij en toch zo ver van mijn volleybaldromen verwijderd was.

Op een avond knielde ik neer en bad: ‘Hemelse Vader, ik weet niet of ik dit nog kan.’ Terwijl ik in stilte zat, kreeg ik de ingeving om mijn patriarchale zegen te lezen. Eén gedachte bleef maar door mijn hoofd spoken: Ga op zending.

Ik probeerde die gedachte uit mijn hoofd te zetten. Ik was nooit van plan geweest om op zending te gaan. Maar de ingeving hield aan.

Toen ik mijn ouders vertelde dat ik overwoog om op zending te gaan, reageerde mijn vader botweg: ‘Waarom? Je kunt gratis studeren. Gaan ze je beurs vasthouden?’

‘Nee’, antwoordde ik.

’Wie gaat je zending betalen?’

Toen viel het kwartje. Dat ‘leuke baantje’ dat ik had gekregen, was niet zomaar. Het was een tedere barmhartigheid waarmee ik mijn zending kon betalen.

Ik zei tegen mijn vader dat ik de kosten zou betalen en getuigde tot hem dat gehoorzaamheid zegeningen met zich meebrengt. Al gauw kreeg ik een oproep om in Australië te dienen. Mijn intense verdriet maakte plaats voor gemoedsrust en vreugde. Ik wist dat ik was waar de Heer me wilde hebben.

Mijn goddelijke identiteit ontdekken

Op zending heb ik geleerd dat ik veel meer ben dan alleen een volleybalster.

President Russell M. Nelson (1924–2025) heeft gezegd:

‘Als er een label is dat jouw belangrijkste identiteit vervangt, kunnen de gevolgen geestelijk verstikkend zijn. […]

‘ Geen enkele aanduiding [kan] de plaats innemen van of voorrang krijgen boven deze drie blijvende aanduidingen: “kind van God”, “verbondskind” en “discipel van Jezus Christus”.’

Als er dingen veranderen – en dat gebeurt zeker – blijft mijn identiteit als kind van hemelse Ouders en discipel van Jezus Christus intact.

Na mijn zending ging ik weer studeren. Voordat ik aan mijn zending begon, was mijn hartklep ernstig verwijd, dus ik overwoog niet om weer te gaan volleyballen. Maar ik bad om leiding en las mijn patriarchale zegen, hetgeen me geruststelde.

Wonderen zoeken en verwachten

Na mijn thuiskomst woonde ik de algemene conferentie bij. Zuster Kristin M. Yee, tweede raadgeefster in het algemeen ZHV-presidium, vertelde over een schilderij dat ze van de Heiland had gemaakt. Ze bracht onbedoeld te vroeg vernis aan, waardoor het werk waar ze haar hart in had gestoken besmeurd raakte. Ze bad en werkte de hele nacht door om het probleem op te lossen.

‘Ik weet nog dat ik ’s ochtends het schilderij bekeek. Het was beter dan eerst. […] Ik dacht dat het een onherstelbare fout was, maar het was zijn kans om zijn barmhartigheid te tonen. Hij was niet klaar met het schilderij en Hij was niet klaar met mij.’

Ik voelde de Geest fluisteren dat de Heer ook met mij nog niet klaar was. Hij gaf om mijn verlangen om weer te volleyballen.

Ik besloot naar een cardioloog te gaan. Toen hij mijn laatste scans had bekeken, keek hij stomverbaasd.

‘Wat heb je de afgelopen anderhalf jaar gedaan?’ vroeg hij.

‘Ik ben op zending geweest’, zei ik verbaasd.

‘Je hartklep was voorheen 4,6 centimeter. Nu is die 3,94 centimeter. Dat is ongelofelijk. Hij is … gekrompen.’

Een tweede specialist bevestigde zijn bevindingen: mijn hart was beter geworden. Ik was niet alleen stabiel, ik kreeg ook toestemming om weer te volleyballen.

Kort daarna bood een andere universiteit me een plek in hun team aan – met een studiebeurs. Ik wist dat dit geen toeval was, maar een wonder.

President Nelson heeft gezegd: ‘Zoek en verwacht wonderen.’ Ik weet nu dat als we gehoorzaam blijven en onze goddelijke identiteit indachtig zijn, de Heer onze inspanningen grootmaakt. Hij leidt ons, geneest ons en kan deuren openen waarvan we dachten dat ze voor altijd gesloten waren.