Uit Wekelijkse content voor JOVO’s
Drie vragen die ik als bekeerling over de kerk had (en hoe mijn goddelijke identiteit me hielp die te beantwoorden)
De auteur woont in Toronto (Canada).
Niet alleen nieuwe bekeerlingen hebben vragen – dat hoort gewoon bij de ontwikkeling van mijn getuigenis gedurende mijn hele leven.
Mijn getuigenis verkrijgen verliep als een puzzel maken.
Toen ik op de middelbare school voor het eerst een vriendin had die geen alcohol dronk of rookte, en ik over het woord van wijsheid hoorde, vond ik een stukje van de puzzel. Toen ik het Boek van Mormon las, over Joseph Smith leerde en aanvaardde dat ik een Heiland nodig had, kreeg ik meer puzzelstukjes.
Maar hoe meer puzzelstukjes ik vond, hoe meer ik besefte hoeveel ik er nog miste. Ik vond wel antwoorden op mijn vragen, maar die antwoorden brachten vaak meer vragen met zich mee. Sommige vragen waren eenvoudig en konden door de zendelingen worden beantwoord, maar andere vergden veel tijd en studie.
Ik heb nog steeds vragen, en dat zal altijd wel zo blijven. Maar ik heb een fundament ontdekt dat me houvast geeft terwijl ik mijn getuigenis versterk en vanuit een positie van geloof blijf leren:
Mijn goddelijke identiteit.
Hier zijn drie vragen die ik over het evangelie had en die mede door mijn goddelijke identiteit beantwoord werden:
1. Hoe kan ik zonden uit het verleden loslaten?
Terwijl ik over De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen leerde, vroeg ik me af hoe ik mijn verleden kon loslaten. Naarmate ik meer over de evangelienormen te weten kwam, begon ik in te zien dat mijn manier van leven niet in overeenstemming met de leringen van Jezus Christus was.
Maar toen ik meer over Gods liefde voor mij, zijn kind, te weten kwam, besefte ik dat ik me geen zorgen meer hoefde te maken over zonden uit het verleden. In Jesaja 1:18 staat: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw.’
Ik vond het fijn om te beseffen dat ik dankzij mijn Heiland mijn zonden kon loslaten. Ik kon me bekeren, me tot Hem wenden en die last van me afzetten. En dat was de meest opluchtende, adembenemende waarheid die ik ooit had gehoord.
2. Wat is mijn rol in de vergadering van Israël?
Voordat ze naar Canada verhuisden, kwam mijn familie uit Macedonië. Na mijn doop ging ik anderhalf jaar terug naar Macedonië om bij mijn vader te wonen. Voordat ik verhuisde, begreep ik niet helemaal wat de vergadering van Israël inhield of wat het betekende dat mijn patriarchale zegen mijn afstamming in het huis van Israël weergaf.
Maar toen ik in Macedonië naar de kerk ging en de mensen daar leerde kennen, kreeg ik herhaaldelijk de indruk dat God die mensen kende en liefhad. Dit kleine land, waar maar weinig leden van de kerk waren, was van groot belang voor Hem.
Ik begon een getuigenis van de woorden van president Russell M. Nelson (1924–2025) te krijgen: ‘Het evangelienet waarmee het verstrooide Israël wordt vergaderd, is groot. Er is ruimte voor ieder die het evangelie van Jezus Christus volledig wil aanvaarden.’
En nadat een vriendin van mij zich in Macedonië had laten dopen, begreep ik de ongelooflijk zoete vreugde die uit de verkondiging van het evangelie en de vergadering van Israël voortkomt. Het leek wel of alles op z’n plaats viel toen ik mijn afstamming in het huis van Israël als een mooie en gezegende identiteit ging beschouwen, die me zou helpen om het evangelie te blijven delen.
3. Wat als ik vragen blijf hebben?
Ik heb antwoord op veel van mijn vragen gevonden, maar niet op alle.
Toen ik onlangs in de tempel over mijn leven nadacht, kon ik me niet aan de pijnlijke gedachte onttrekken die in me opkwam: Ik wou echt dat mijn moeder hier bij me kon zijn.
Ik heb veel vragen over het feit dat ik het enige lid van de kerk in mijn familie ben. Mijn verzegeling aan mijn familie is een van mijn grootste verlangens. Ik weet niet of dat nog in dit leven zal gebeuren – en of ik alle antwoorden op mijn vragen zal vinden.
Maar ik weet wel dat ik een dochter van mijn hemelse Vader ben die een goddelijke band met Hem heeft. President Nelson heeft gezegd: ‘In feite hebben allen die een verbond met God hebben gesloten, toegang tot een bijzondere vorm van liefde en barmhartigheid.’
Nu ik steeds meer nieuwe puzzelstukjes van mijn getuigenis vind, put ik troost uit het feit dat ik als kind van God best vragen mag hebben. Vragen zijn nodig voor mijn groei als discipel van Christus. En ik weet: niet alleen nieuwe bekeerlingen hebben vragen – dat hoort gewoon bij de ontwikkeling van mijn getuigenis gedurende mijn hele leven.
Terwijl we met onze lastige vragen worstelen, mogen we vertrouwen op een Heiland die de doorvoelde vragen van ons hart kent. Door ons goddelijke erfgoed hebben we toegang tot Hem en onze hemelse Vader, en hun kracht.