‘Moet ik perfect zijn?’, Vriend, november 2024, 36–37.
Moet ik perfect zijn?
Henry wilde graag naar de tempel, maar hij vond dat hij te veel fouten maakte.
Dit verhaal speelt zich af op Aruba.
Henry liep langzaam het jeugdwerklokaal in. Hij sjokte naar zijn stoel.
Zijn leerkracht, broeder Rass, glimlachte naar hem. ‘Ben je er klaar voor om over tempels te praten?’ vroeg hij.
‘Ja’, antwoordde Henry.
Waarom zei ik dat? dacht Henry terwijl hij ging zitten. Hij voelde zich er niet klaar voor. Helemaal niet.
Henry’s jeugdwerk was het liedje ‘Ik kijk graag naar de tempel’ aan het leren. Zijn klas was gevraagd om iets te vertellen over naar de tempel gaan.
Maar Henry was verdrietig. Hij wilde graag naar de tempel gaan als hij oud genoeg was, maar hij vond dat hij te veel fouten maakte.
Een voor een stonden Henry’s vrienden op. Ze spraken blij en opgewonden over ooit naar de tempel gaan. Henry voelde zich steeds slechter.
Toen was het tijd om te zingen. Henry zong samen met de rest van het jeugdwerk: ‘Ik bereid mij voor, daarheen te gaan: dat houd ik in gedachte.’
Hoe kan ik me voorbereiden om naar de tempel te gaan als ik zoveel fouten maak? dacht Henry. Hij zakte verder onderuit in zijn stoel.
Toen het lied was afgelopen, boog broeder Rass zich naar hem toe. ‘Alles in orde?’ vroeg hij.
Henry staarde naar zijn handen. Toen zei hij zachtjes: ‘Ik wil graag naar de tempel, maar ik ben bang dat ik niet waardig ben.’ Hij nam diep adem. ‘Ik kan niet altijd goed opschieten met mijn familie. Ik vergeet vaak mijn klusjes te doen. Ik maak te veel fouten. Moet ik echt perfect zijn?’
Broeder Rass glimlachte vriendelijk. ‘Je hoeft niet perfect te zijn om waardig voor de tempel te zijn. We kunnen waardig zijn als we op Jezus Christus vertrouwen en oprecht proberen de geboden te onderhouden. We maken allemaal fouten, maar we kunnen ons bekeren en weer rein worden.’
Henry ging weer wat rechterop zitten.
‘Ik weet zeker dat onze hemelse Vader trots op je is omdat je je best doet om het goede te doen’, zei broeder Rass.
Henry dacht aan een paar goede dingen die hij die week had gedaan. Hij had met mama eten gekookt, zijn zusje met haar huiswerk geholpen en een nieuwe jongen op school begroet.
Henry’s zorgen verdwenen. Hij wist dat de Heilige Geest hem hielp om zich vredig te voelen.
Toen het Henry’s beurt was om te vertellen, glimlachte hij en stond op. ‘Ik wil me blijven bekeren en meer op Jezus Christus gaan lijken, zodat ik op een dag naar de tempel kan gaan’, zei hij.
Henry was blij toen hij ging zitten. Op een dag zou hij in de tempel heilige verbonden met God kunnen sluiten. Hij wilde zijn best doen om zich voor te bereiden!
Illustraties, Gail Armstrong