‘Aanhangsel B: Mondeling taalvaardigheidsgesprek voor plaatsing in groepen EnglishConnect 1 en 2’, EnglishConnect voor leerkrachten (2023)
‘Aanhangsel B’, EnglishConnect voor leerkrachten
Aanhangsel B
Mondeling taalvaardigheidsgesprek voor plaatsing in groepen EnglishConnect
Voor degene die het mondelinge gesprek leidt
Deze toets is een kort gesprek dat niet langer dan vijf minuten duurt. Aan de hand van dit mondelinge gesprek wordt bepaald of een cursist in EnglishConnect 1 of EnglishConnect 2 moet worden geplaatst. Gebruik dit werkblad tijdens het gesprek en beoordeel de antwoorden van de cursist.
‘Mondeling taalvaardigheidsgesprek’ om af te drukken
De resultaten van het mondelinge gesprek interpreteren
Elk antwoord wordt op basis van de volgende schaal beoordeeld:
-
0 = kan de vraag helemaal niet beantwoorden
-
1 = kan niet tot nauwelijks antwoorden; reageert alleen met enkele woorden
-
2 = kan antwoorden, maar met uit het hoofd geleerde zinnen en veel fouten
-
3 = geeft een gepast antwoord met zinnen die niet uit het hoofd zijn geleerd, al dan niet met fouten
-
4 = geeft een gepast antwoord met weinig fouten
-
Totale score: 0–7 = EnglishConnect 1
-
Totale score: 8–11 = EnglishConnect 2
-
Totale score: 12+ = EnglishConnect 2 en uitnodiging voor inschrijving in EnglishConnect 3
Als cursisten vooral een 1 scoren, worden ze in EnglishConnect 1 geplaatst. Als cursisten vooral een 2 of 3 scoren, worden ze in EnglishConnect 2 geplaatst. Als cursisten vooral een 3 of 4 scoren, kunnen ze desgewenst nog steeds EnglishConnect 2 volgen maar ook uitgenodigd worden om zich voor EnglishConnect 3 in te schrijven (EnglishConnect.org/join).
Mondeling gesprek
Zorg ervoor dat de cursist zich zo veel mogelijk op zijn of haar gemak voelt door een vriendelijke sfeer te scheppen. Groet de cursist en introduceer uzelf op een eenvoudige manier. Bijvoorbeeld: ‘Hi. My name is . What’s your name?’
Stel hem of haar de vragen in de onderstaande tabel.
|
Vraag |
Score (0–4) |
|---|---|
Vraag 1. Tell me about yourself. What do you like to do? (Als de cursist dat niet begrijpt, kunt u vragen: ‘What are your hobbies?’) | |
Vraag 2. Tell me about your family. Who is in your family? | |
Vraag 3. Where are you from? Tell me about your city. | |
Vraag 4. What did you do last weekend? (Het is moeilijker om in de verleden tijd te spreken. Stel deze vraag daarom alleen als de cursist de andere vragen goed heeft beantwoord.) | |
Vraag Totale score |